bijgewerkt op 16-11-2019
u bent bezoeker 32 deze week


verdwenen joodse scholen 1941-1943
en de ontjoodsing van het lager onderwijs in Amsterdam, in de jaren 1940-1943

2.
de ontjoodsing van het lager onderwijs in Amsterdam, gedurende de bezettingsjaren 1940-1943

inleiding
In het eerste artikel van deze website vertel ik een verhaal over mijn vader Laurens Janszen, onderwijzer in het Amsterdamse Betondorp. Dat speelt zich af in 1941, het tweede jaar dat Nederland door de Duitsers bezet was en de verbanning van Joodse leerlingen en leerkrachten uit het onderwijs zijn beslag kreeg.
In dit artikel diep ik deze verbanning verder uit en introduceer hiervoor het begrip de ontjoodsing. Ik bedoel hiermee de verzameling maatregelen van de Duitse bezetter gericht op isolatie - concentratie - deportatie van de joodse Nederlanders en dientengevolge de ontjoodsing van de Nederlandse samenleving. In deze publicatie (en in mijn onderzoek) gaat het over de ontjoodsing van het onderwijs, en in het bijzonder het openbaar lager onderwijs in Amsterdam, in de eerste bezettingsjaren. Dat betreft dan de isolatie en concentratie van ruim 5 duizend joodse lagere school leerlingen en 133 joodse lagere school leerkrachten in de periode 22 november 1940 tot 29 september 1943.
wat was het geval :
Half augustus 1941 krijgen de ouders van de Amsterdamse joodse leerlingen bericht van het stadhuis dat hun kinderen ‘niet langer op de thans door hem bezochte school worden toegelaten.’ Het verbod gaat in op 1 september; zo staat het ook in de dagbladen van 30 augustus. Enkele weken later kunnen deze kinderen terecht op van gemeentewege speciaal voor hen opgerichte joodse scholen. Voor de afdeling onderwijs van de gemeente Amsterdam is het een stevige reorganisatie; er moet voor de ruim vierduizend joodse openbare lagere schoolkinderen afzonderlijk onderwijs worden georganiseerd. Er worden scholen opgeheven, verplaatst of samengevoegd; een aantal is van de ene dag op de ander ‘verjoodst’, daar worden juist de niet-joodse kinderen niet meer toegelaten.
Die verjoodsing treft niet alleen de kinderen; de bezetter heeft immers ook bepaald dat joodse kinderen alleen maar les mogen krijgen van joods onderwijs-personeel. Een ware benoemingencarrousel komt op gang, waarbij niet-joodse leerkrachten van die verjoodste scholen worden overgeplaatst en een honderdtal joodse onderwijzers en onderwijzeressen, weer in dienst van de gemeente komt, nadat ze een half jaar eerder juist ontslagen waren vanwege hun joodszijn.
Van af het begin werkt de bezetter er naar toe dat het joodse onderwijs onder het beheer van de Joodsche Raad gaat vallen, de bedoeling is immers dat óók het onderwijs aan joodse kinderen buiten de maatschappij wordt geplaatst en dat de joodse gemeenschap zelf de zorg en financiering van de scholen gaat dragen. Het duurt echter tot najaar 1942 voor dat de overname door de Joodsche Raad een feit is en er een Joods schoolbestuur en onderwijsbureau is ingesteld voor alle Joodse scholen, ook die buiten Amsterdam.
Ondertussen is, sinds in juli 1942 de transporten naar het oosten op gang zijn gekomen, het leerlingenaantal aanzienlijk gedaald. Het joodse onderwijsbureau sluit een aantal scholen, ook omdat de bekostiging door de bezetter, niet toereikend is om alle scholen in stand te houden.
Nauwelijks is deze herschikking in januari 1943 afgerond of de grote razzia’s in mei en juni, veroorzaken een bijna volledig ontvolking van de scholen. Uiteindelijk, over de zomervakantie van 1943 heen, is er nog slechts één schooltje over, met een kleine honderd leerlingen.
Met de laatste grote razzia op 29 september 1943 komt het openbare joodse leven in Amsterdam tot stilstand, dat geldt ook voor het onderwijs aan joodse kinderen; iedereen is weg, naar het oosten of in de onderduik.
Ik hanteer 'de bezetter' als verzamelnaam, maar het waren natuurlijk gewoon mannen, Duitse mannen en Nederlandse. Ik zet hier de belangrijksten op een rijtje, met als eerste natuurlijk Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart, de rechtstreekse vertegenwoordiger van Hitler, für die besetzten Niederländischen gebiete, en zijn Generalkommissar dr. Friederich Wimmer, die namens hem met het Jodenvraagstuk was belast. En dan was er de Beauftragte dr. Hans Böhmcker, het regelrechte verlengstuk van de Reichskommissar, für die stad Amsterdam. Dit drietal vul ik aan met nog drie hoofdrolspelers, de Generalkommissaren Hans Rauter,Fritz Schmidt en Hans Fischböck, waarvan de laatste over de overheidsfinanciën ging. Dat waren allemaal Duitsers, de bezetter dus. Maar zij werden bijgestaan door min of meer loyale Nederlanders, ambtenaren in Den Haag op het Departement van Opvoeding en op (de afdeling onderwijs van) het Amsterdamse stadhuis. Want [anders dan wat wij nog geen eeuw eerder in ‘de Oost’ deden] de bezetter bouwde in Nederland geen eigen bestuursapparaat op.
Een paar namen springen er dan uit, die van professor Jan van Dam, vanaf november 1940 Secretaris-generaal op het departement in den Haag en die van Edward John Voûte, sinds maart 1941 Regeeringscommissaris (burgemeester) voor Amsterdam; maar ook die van Johan Smit wethouder voor Onderwijs en zijn directeur Dr W.L. Hendriks, die leiding gaf aan de gemeentelijke afdeling Onderwijs. Zij stonden in direct contact met de bezetter, droegen diens bevelen ter uitvoering op aan hun ambtenaren en vervulden zo een cruciale rol bij de ontjoodsing.
Het verhaal zoals ik dat hier vertel, berust grotendeels op brieven, concepten en besluiten van met name Voûte en van Dam, opgesteld door hun loyale ambtenaren, doorgaans als gevolg van een bevel of opdracht afkomstig van de bezetter.
In het najaar van 1942, zodra het onderwijs aan joodse kinderen in opdracht van de bezetter aan de Joodsche Raad is overgedragen, verdwijnt het gemeentelijke apparaat grotendeels uit beeld. De Joodsche Raad vestigt een schoolbestuur met een onderwijsbureau dat alle taken die daarvoor bij de gemeente berustten, op zich neemt. Vanaf dat moment maakt de loyaliteit van de gemeenteambtenaren jegens de bezetter, plaats voor die van de bestuurders en medewerkers van de Joodsche Raad. Misschien is ‘loyaliteit’ een te hard oordeel en moet ik ‘verantwoordelijkheidsgevoel’ schrijven, jegens de (in aanvang) ruim elf duizend leerplichtige joodse kinderen in heel Nederland en hun ouders, opdat deze kinderen 'über die normale Ferienzeit hinaus nicht länger als etwa vier Wochen unbeschult bleiben.' zoals Seyss-Inquart in augustus 1941 had bevolen.

images/docs/factsheet_de_maatregelen.docx.pdfDE ANTI-JOODSE MAATREGELEN

notitie OORLOG, BEZETTING EN BESTUUR
OORLOG, BEZETTING EN BESTUUR
De Duitsers vallen in mei 1940 Nederland binnen, de regering wijkt uit naar Engeland. Na een paar dagen oorlog vestigt Adolf Hitler in Nederland een bezettingsmacht met dr. Arthur Seyss-Inquart als zijn directe vertegenwoordiger, zijn titel is Reichskommissar für die Niederlanden. Hij vestigt een Aufsichtverwaltung (toezichthoudend bestuur) dat toezicht houdt op de Nederlandse bestuurlijke organisatie. Elk departement wordt bij ontstentenis van de minister, geleid door de Secretaris Generaal (SG) of de Directeur Generaal (DG), Nederlanders die Duitsgezind waren (doch niet persé lid waren van de NSB).
De Ausichtverwalters met de titel General Kommissar hielden (dus) deze SGs en DGs in de gaten, niets kon geschieden zonder hun toestemming. Seyss-Inquart benoemde vier General Kommissars : Fishböck, voor Finanz und Wirtschaft; Rauter, voor Sicherheitswesen; Schmidt voor besonderen Verwendung en Wimmer, voor Verwaltung (bestuur) und Justiz. (In het Nederlands hadden ze de titel Commissaris Generaal). Het Joodse vraagstuk viel onder de verantwoordelijkheid van Wimmer.
In september 1940 wordt het bestuurlijke toezicht verder uitgebreid door de benoeming van Beauftragten voor elke provincie en voor Amsterdam apart, met de titel Beauftragter des Reichskommissar für die stad Amsterdam. Dr. Hans Böhmcker wordt op 16 september 1940 benoemd, hij vestigt zich aan het Museumplein.
Bij aanvang van de bezetting werd het ministerie voor Onderwijs, ambtelijk geleid door Secretaris Generaal G.A. van Poelje na een incident in september van 1941 werd hij echter ontslagen en tijdelijk opgevolgd door mr. H.J. Reinink. Op 26 november 1940 werd professor dr. Jan van Dam benoemd, hoogleraar Duits aan de Universiteit van Amsterdam. Van Dam was geen NSB-er, maar pro-duits bij hoofde van zijn professie, hij bleef de hele oorlog de hoogste baas. Maar in een zijkamertjes zat ministerial-rat, dr. Schwartz, als een soort toezichthouder namens het Duitse bestuur.
Overigens, omdat er geen minister was, werd de ambtelijke organisatie Departement genoemd en bij de benoeming van van Dam gesplitst in enerzijds Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming (wat dan iets later Kultuurbescherming werd) en anderzijds Volks-voorlichting en Kunsten. De NSB-er T. Goedewaagen werd de SG van dat nieuwe departement.
Gemeentebestuur Amsterdam
Vanaf 1921 was Dr. Willem de Vlugt burgemeester van Amsterdam. In 1931 werd de fractievoorzitter van de SDAP, Emanuel Boekman, wethouder voor Onderwijs.
Met de onderbreking van 1933-1934 (toen de sociaal democraten niet meeregeerden in de stad) bleef Boekman wethouder tot de meidagen van 1940. Samen met zijn vrouw benam hij zich toen van het leven. Wethouder Arbeidszaken Kropman nam de onderwijsportefeuille erbij. Burgemeester Willem De Vlugt (1872-1945), en de wethouders Bossevain, Kropman, Boeken, van Meurs, Rustige, Franke worden begin maart door Seyss-Inquart uit hun functies gezet. Vervolgens wordt Edward John Voûte (1887-1950) benoemd als regeeringscommissaris. Hij had de bevoegdheid wethouders te benoemen. Dr. J. Smit, voordien rector van het Hervormd Lyceum in Amsterdam, wordt dan de nieuwe Onderwijswethouder.
Er wordt algemeen gesteld dat het ontslag van burgemeester de Vlugt en diens wethouders werd ingegeven als straf voor de Februaristaking, die immers enkele dagen eerder plaatsgreep. Seyss-Inquart had echter al per verordening bepaald dat alle colleges van B&W in heel Nederland, per 1 maart 1941 het veld moesten ruimen.
Vanaf maart 1941 worden de besluiten niet meer genomen door het college van Burgemeester en Wethouders, maar uitsluitend door de Burgemeester. Het heet dan ook uit het boek der besluiten van de Burgemeester van Amsterdam (of den Regeerings-commissaris voor Amsterdam) en de stukken waren niet meer in de wij vorm maar allemaal ik.
Per 1 september 1941 wordt een nieuwe gemeentelijke bestuursregeling van kracht, uitgevaardigd door de be,zetter. Vanaf dat moment is het weer gewoon de burgemeester van Amsterdam en worden de beslui,ten en uitgaande stukken weer mede ondertekend door de gemeentesecretaris.
En nota bene : op het Departement en op het Amsterdamse stadhuis werkten uitsluitend Nederlandse ambtenaren, de meesten waren niet persé pro-Duits, een enkeling wel.
[SAA 5191: 7337-1003 en 7438-3400]

notitie MIJN ONDERZOEK
MIJN ONDERZOEK
Dit artikel de ontjoodsing van het gewoon lager onderwijs in Amsterdam, 1941-1943 berust op een zelfstandig en uitvoerig onderzoek van mij, naar en van documenten uit die periode van de Duitse bezetting van Nederland, zoals die terug te vinden zijn in de verschillende archieven.
In eerste instantie was ik gericht op staving van het verhaal van mijn vader, zie daarvoor een ander artikel op deze site, een kleine heldendaad in het Amsterdamse Betondorp, tijdens de bezetting van 1940-1945. Het ging mij er om de gebeurtenissen van toen op een rijtje te krijgen, in relatie met die kleine heldendaad van mijn vader. Maar naarmate ik daarin meer verstrikt raakte, kwamen er meer zaken naar boven waarvan ik vond dat ze een duidelijk antwoord verdienden. Al schrijvende aan mijn eerste artikel begreep ik dat de veelheid aan informatie, met name ook die over de tweede periode niet allemaal in dat verhaal kwijt kon, zonder het ingewikkeld en onleesbaar te maken. Toen heb ik , zodra het eerste verhaal in 2010 eindelijk op deze site stond, het hele onderzoek nog eens dunnetjes over gedaan, nu met als invalshoek :
'wat er gebeurde met en rondom die joodse lagere scholen en leerlingen en leerkrachten in Amsterdam, gedurende de Duitse bezetting.'
Naast dat eerste verhaal 'een kleine heldendaad' zoals ik dat op mijn site publiceer, is het artikel 'de ontjoodsing' uitgegroeid tot een gedegen 'hoofdstudie' met daarbij als bijlagen, alle gegevens van de 'verdwenen joodse scholen'in Amsterdam en de Mediene.
Ik hoop dat deze twee artikelen kunnen dienen als referentiepunt inzake de ontjoodsing van het onderwijs gedurende de bezetting van Nederland binnen de veelheid aan Holocauststudies.
aartjanszen [2019]
LEESWIJZER
De ontjoodsing is opgebouwd uit een aantal paragrafen, waarin ik de gebeurtenissen en de ontwikkelingen beschrijf, vanaf de niet-joodverklaring en de verwijdering van de leerkrachten, tot aan de laatste door mij gereconstrueerde feiten, betreffende laatste leerlingen en de laatste leerkrachten, september 1943. Daar tussendoor behandel ik in een paar paragrafen de financiële en organisatorische aspecten, vooral van de periode onder de Joodse Raad.
Het eerste deel, dwz tot en met § 12 betreft voornamelijk de beginsituatie, zoals die zich voordeed vanaf najaar 1940 (schorsing joodse leerkrachten) tot najaar 1942 (overdracht door gemeente aan Joodsche Raad).
In deel twee, vanaf § 13 beschrijf ik het laatste schooljaar, tot en met mei/juni 1943; het betreft dan de situatie van het joodse lager onderwijs onder het beheer en toezicht van de Joodsche Raad.
Als intermezzo maak ik in § 17 en vooral in § 19, een uitstapje naar de situatie buiten Amsterdam, waar in tal van plaatsen de lokale overheid zich verplicht voelde onderwijs aan joodse kinderen te bieden. Dat betreft dan de periode september 1941 - zomer 1942, totdat de ‘provincies’ ontjoodst waren.
Tenslotte beschrijf ik in § 20 de laatste maanden in 1943 en in § 21 de situatie vanaf de meidagen van 1945.
In feite is daarmee het verhaal af; dat neemt niet weg dat ik in 2020 nog in een of twee paragrafen als zelfstandige artikelen zal doorborduren op het aspect ‘hoe kon het gebeuren’, zoals dat als vraag bij alle vorige paragrafen door klinkt; ik zal dan trachten de omgevingsfactoren van het drama van de ontjoodsing in Nederland te verklaren.
Daarna hoop ik onderzoek en publicatie te kunnen afsluiten met mijn commentaar en conclusies.
Naast dit artikel publiceer ik in artikel 3, een overzicht van de joodse scholen en de leerlingen in Amsterdam en in artikel 4 in de Mediene, beide zijn dus bijlagen bij het verhaal over de ontjoodsing van het lager onderwijs in Amsterdam, in de jaren 1940-1943.


aartjanszen [2019]

Vergeet niet daar waar ze staan, op de groene pijltjes te clicken; in de rechter marge verschijnt dan een aanvullende notitie, commentaar, of een overzicht.

notitie NOTEN EN BRONNEN

NOTEN
Ik werk niet met noten in de tekst, afgezien dat ik dat hinderlijk vind bij het lezen, is een noot slechts een beperkte manier van verwijzen naar de gebruikte bron. Ik doe het anders, per paragraaf zijn de bronnen door mij geordend en beknopt beschreven, dat publiceer ik (tzt) in een pdf-document. Zo krijgt de lezer een completer beeld van het materiaal, met antwoord op de vragen 'waar staat het en in welke context ?'. (Dit bronnen-document plaats ik pas als het artikel in zijn geheel op de site staat). Daar waar het echt functioneel is, met name bij citaten en de notities in de marge, geef ik wel meteen de bron(nen).
Ik hanteer de volgende afkortingen
SAA = Stadsarchief Amsterdam
NIOD = Instituut Oorlogsdocumentatie
HNA = Het Nationaal Archief
BRONNEN
Ik raadpleegde (en doorvorste) drie archieven, in de eerste plaats dat van afdeling Onderwijs van de toenmalige Secretarie van de Gemeente Amsterdam (Stadsarchief Amsterdam, toegang 5191, jaren 1940 -'41 -'42). (En ook archief Algemene zaken 5181, met name het jaar 1941)
Daarnaast bestudeerde ik ook het archief van de afdeling onderwijs van de Joodse Raad (NIOD, toegang 182 - nrs 97-172) en dat van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen: Afdeling Kabinet, 1940-1945 (Het Nationaal Archief, toegang 21437).
Het Amsterdamse Stadsarchief is voor de eerste periode de rijkste bron, het betreft immers in de eerste plaats een Amsterdamse kwestie. Maar voor de tweede periode is uiteraard het NIOD-archief van onschatbare betekenis.
Over de drie archieven het volgende :
SAA - onder 5191 bevinden zich in feite alle stukken, brieven, documenten etc die in die jaren de afdeling Onderwijs van de gemeente Amsterdam ontving of produceerde. Voor een deel toegankelijk via de indicateur van het betreffende jaar, deels in afzonderlijke archiefnummers ondergebracht. Helaas ontbreken er nog al wat stukken, maar daar tegenover staat dat ik ook per ongeluk stukken vond die niet geregistreerd staan onder het bewuste nummer, of indertijd daaronder zijn samengebracht.
HNA - de verzameling stukken van het Kabinet (van van Dam) (toegang 21437) is eigenlijk vrij beperkt; voornamelijk kopieën van uitgaande stukken en dan nog bovendien vooral afkomstig uit de dossiers van van Dam, met zijn aantekeningen in dik blauw potlood (weinig stukken afkomstig van de bezetter). De dikke map is niet goed geordend, althans toen ik er de laatste keer was, vond ik het maar een ratjetoe, weliswaar met onschatbare informatie.
NIOD - onder het toegangsnummer 182 van de Joodsche Raad zit ook de rubriek van de afdeling onderwijs. Het is een vreemde collectie, vind ik; niet zoals bij de gemeente afkomstig van de afdeling zelf, maar vermoedelijk na 1945 bij elkaar gebracht uit verschillende oorsprongen; zo zitten er stukken bij afkomstig van verschillende scholen, oa met een paraaf van een schoolhoofd (meester Adelaar van de school in Noord).
Naast dit alles neusde ik ook rond in de bibliotheek van het Joods Museum; de collecties van het Instituut Sociale Geschiedenis en op diverse andere plekken. Tzt geef ik achteraan een compleet overzicht, ook van de boeken die ik raadpleegde en het al eerder toegezegde bronnendocument.
A

notitie ANDERE PUBLICATIES

andere publicaties over mijn onderwerp
Natuurlijk is het verhaal van de joodse schoolkinderen en hun leerkrachten maar een heel klein element in het geheel van gebeurtenissen en feiten van de Holocaust.
Presser, de Jong en Herzberg besteden er elk slechts een beperkt aantal paginas aan in hun omvangrijke studies.
Maar in 2001 verscheen 'Absent' van Dienke Hondius, over het (Amsterdamse) Joods Lyceum in de periode 1941-43 (Vassalucci 2001). In de inleidende paragrafen (pagina's 30 67) beschrijft zij (in zon 10.000 woorden) óók de scheiding in het lager onderwijs.
Recenter is de Masterscriptie van Femke Mooijekind, Het Joodse kind op de Joodse school (UvA 2011; 90 paginas) waarin zij de scheiding van joodse en niet-joodse kinderen in de gemeente Amersfoort behandelt; in hoofdstuk 1 § 3 (6 paginas A4) gaat zij in op de situatie in Amsterdam.
En onlangs kreeg ik via Academia.edu een (per 26 februari 2015 opnieuw geredigeerde) scriptie van Harry Monkel toegestuurd, onder de titel Geeft u mij maar een tientje
Een van de hoofdstukken Hierbij de lijst der joodsche leerlingen betreft een onderzoek naar de segregatie op scholen in Amsterdam in 1941. (paginas 20 t/m 33).
Monkel behandelt in deze publicatie uitsluitend de periode (februari september 1941) waarin de scheiding in het onderwijs werd voorbereid en doorgevoerd.
En dan is er nog een publicatie, die Hondius noemt, de doctoraalscriptie van Xandra van Gelder], 'Samenkomst en vertrek'. [Hondius bedankt van Gelder, p 13 en noemt haar scriptie op p 91 met noot 131] Deze publicatie uit 1989 (UvA) vond ik uiteindelijk in 2014, in de bibliotheek van het JHM.
Mijn artikel staat echter op zichzelf t.o.v. de bevindingen van Hondius, Mooijekind en Monkel, zo óók mijn bronnen-onderzoek. Hondius focust op het Joods Lyceum, Mooijekind op de situatie in de gemeente Amersfoort en Monkel eigenlijk op de houding van de ambtenaren in de voorbereidingsperiode. Mijn focus ligt op het lager onderwijs in Amsterdam, in de hele periode dwz tot en met september 1943. Ik gebruik meer en andere bronnen en kom (zodoende) hier en daar op andere waarnemingen en conclusies.
Onder enkele paragrafen van mijn artikel (en bij artikel 1) geef ik een 'commentaar in de marge' oa in relatie met de publicatie van Hondius en/of Mooijekind en/of Monkel.
Na mijn laatste paragraaf, § 21, zet ik te zijner tijd een aantal (belangrijke) punten nog eens op een rijtje, en dan gerelateerd aan wat zij er afzonderlijk over schreven.
[Overigens : Hondius en Mooijekind hebben wat betreft de algemene aspecten en de Amsterdamse situatie veel overeenkomsten, ze behandelen vooral de eerste periode, dwz de gebeurtenissen in het jaar 1941 en hebben beide dienaangaande weinig onderzoek verricht in het NIOD-archief van het Onderwijsbureau van de Joodsche Raad. Bovendien put Mooijekind in haar hoofdstuk over Amsterdam - gelet op de noten, vooral uit de publicatie van Hondius. Ook Monkel grijpt terug op Hondius. Maar ik vermoed dat Hondius op haar beurt voor een aanzienlijk deel van haar onderzoek, sterk leunt op het werk van van Gelder] [Ik kom hier uiteraard in de loop van mijn tekst op terug]
En dan nog even dit : ik publiceer op een website, in plaats van in een gedrukte uitgave. Dat is wellicht nog ongebruikelijk in wetenschappelijke kringen - misschien ben ik hier wel trendsetter. Dat ik voor deze vorm heb gekozen is vanwege de mogelijkheid van een groot publieksbereik door de lage drempel, maar ook (misschien wel vooral) omdat ik mijn teksten kan blijven aanvullen, corrigeren en aanpassen, naarmate mijn onderzoek vordert - zeker ook naar aanleiding van reacties van lezers. Een gedrukte publicatie is verouderd op het moment van verschijnen, een website daarentegen kan actueel blijven, zolang als je er mee bezig blijft.

A


§ 1. het joods zijn
Alhoewel de bezetter bij voorkeur afging op uiterlijke kenmerken, waren er voor het 'joods zijn' al snel formele criteria op papier. De eerste keer dat deze aan de orde kwamen in Nederland, was september 1940 in de Verordening 189/1940 voor de uitsluiting van Joodsche ondernemingen. In de 4e paragraaf daarvan werd 'het begrip Jood' vastgesteld:
'Jood is een ieder, die uit ten minste drie naar ras voljoodsche grootouders stamt.
Als jood wordt ook aangemerkt hij die uit twee voljoodsche grootouders stamt en
- hetzij zelf op den negenden Mei 1940 tot
de joodsch-kerkelijke gemeente heeft behoord of na die datum daarin wordt opgenomen,
- hetzij op den negenden Mei 1940 met een jood was gehuwd of na dat oogenblik met een jood in het huwelijk treedt.
Een grootouder wordt als voljoodsch aangemerkt, wanneer deze tot de joodsch-kerkelijke gemeente heeft behoord.'
Dat was de eerste stap. Gedurende het gehele proces van isolatie - concentratie - deportatie viel de bezetter telkens terug op deze omschrijving van het joods zijn. Dat gebeurde meteen al, half oktober 1940, als de bezetter de Nederlandse instanties beveelt:
'zo spoedig mogelijk een opgave in te dienen van alle personen in dienst van het Rijk, een provincie, een gemeente of een ander publiekrechterlijk lichaam, die hetzij geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede zijn, dan wel gehuwd of verloofd zijn met een persoon, die geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede is.'
de opdracht gaat verder met:
'Ter beoordeling van de vraag, of een bepaald persoon al of niet van Joodschen bloede is, dient als leidende gedragslijn te worden aanvaard, dat niet als te zijn van Joodschen bloede kan worden beschouwd hij, van wien geen zijner vier grootouders naar zijn weten heeft behoord tot de Joodsche geloofsgemeenschap, dat wil zeggen, lid, of tijdelijk lid is geweest van een Joodsch kerkgenootschap.'
Iedereen die kon verklaren dat hij niet, noch echtgenote of verloofde, ouders en grootouders tot de joodse geloofsgemeenschap behoorde, of behoord had, kon volstaan met het invullen en ondertekenen van een eenvoudig verklaring, formulier A. Dat formulier is de geschiedenis ingegaan als de Ariërverklaring, maar eigenlijk was het dus een niet-Joodverklaring.
De letterlijke tekst van deze verklaring was:
'De ondergeteekende, verklaart dat naar zijn (haar) beste weten noch hijzelf (zijzelf), noch zijn (haar) echtgenoot(e), (verloofde), noch een zijner (harer) (hunner beider) ouders of grootouders ooit heeft behoord tot de Joodsche geloofsgemeenschap.
Den (Der) ondergetekende is bekend, dat hij (zij) zich, ingeval vorenstaande verklaring niet juist blijkt te zijn, aan onmiddellijk ontslag blootstelt.'
Iedereen die deze verklaring niet kon tekenen werd vervolgens lastig gevallen met een lijst met vragen over familie, verloofde of echtgenote en kinderen, over beroep en inkomen en privévermogen. Dat betrof dan formulier B, dat bovendien in tweevoud moest worden ingediend.
De gegevens moesten voor het eind van de maand oktober zijn verstrekt.
Begin november schreef de directeur van de gemeentelijke afdeling Onderwijs, aan de Amsterdamse wethouder voor Arbeidszaken dat de afdeling onderwijs 3.031 personeelsleden telde,en:
‘Van deze ambtenaren hebben 238 verklaard dat zijzelf of hun echtgenooten of verloofden geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede zijn. 2.793 ambtenaren hebben derhalve de andere verklaring afgelegd’
De lijsten met de joodse ambtenaren 'in dienst van het Rijk, een provincie, een gemeente of een ander publiekrechterlijk lichaam ' werden zo snel mogelijk naar den Haag gestuurd. En zo beschikte de bezetter over vrij gedetailleerde informatie over een aanzienlijk deel van de Joods-Nederlandse bevolking, althans over dat deel dat in overheidsdienst was, als ambtenaar, hoogleraar, onderwijzer, politieman, werkman of anderszins.

notitie DE VERKLARING

NIET-JOOD VERKLARING

Per brief van 17 october 1940 stelt de waarnemend Secretaris Generaal van het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, Reinink, de gemeente-besturen op de hoogte van de opdracht van de Duitsche overheid, zo spoedig mogelijk een opgave te verstrekken van alle personen die hetzij geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede zijn, dan wel gehuwd of verloofd zijn met een persoon, die geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede is.
Er bij ingesloten zitten twee afstammingsformulieren voor personeel in overheidsdienst, A en B
Formulier A is de ariërverklaring gaan heten, maar ik kies voor de benaming niet-jood-verklaring.
De formulieren moesten voor 29 october 1940 ingezonden zijn aan het Departement.
De gemeente Amsterdam vervaardigde een eigen versie, de exemplaren die hier getoond worden zijn de verklaringen die het departement uitdeelde en terugverwachte. HNA : 2.14.37/0305

Herzberg schrijft (pagina 57) : Dit werd (dan nog) geaccentueerd doordat door de verordening de principiële, zeer netelige vraag aan de orde werd gesteld, wie of wat, volgens het nieuwe systeem, eigenlijk een Jood was. In Nederland was dat geen staatsrechterlijk maar uitsluitend een kerkelijk begrip. De Duitsers hebben er ook in Duitsland nogal mee gehaspeld. Want het is gemakkelijker het rassenprincipe op te stellen, dan de grens tussen de rassen te trekken. Als niet van Joodse bloede behoort te worden beschouwd zegt de verordening in een merkwaardige negatieve definitie hij van wie geen zijner vier grootouders naar zijn wetenschap lid of tijdelijk lid is geweest van de Joodse gemeente.
Afgezien, dat in de originele teksten Joods steeds met sch werd geschreven, verwart Herzberg de tekst van de verordening met die van formulier A van de niet-joodverklaring; die is gesteld in de ontkennende vorm
verklaart, naar beste weten, noch hij/zij zelf, noch zijn/haar echtgenoot(e) [etc] ooit heeft behoord tot de Joodsche geloofsgemeenschap [niet gemeente, zoals H citeert].
In de verordening wordt bepaald wie joods is Jood in den zin dezer verordening zijn (en dat is dan verordening Vo. 189/1940: Verordening van 22 oktober 1940 betreffende het aangeven van ondernemingen, en niet 137/1940 zoals Herzberg schrijft.

\"images/docs/verklaring_A_en_B.pdf\" de afstammingsverklaring

§ 2. ontheffing en ontslag
Nauwelijks was die lijst binnen of de Secretaris-generaal van het departement van Onderwijs schreef Burgemeester en Wethouders van Amsterdam op 22 november 1940
:…..Aangezien mij uit de ingezonden verklaringen van afstamming is gebleken, dat de op bijgaande lijst genoemde onderwijzers(essen) Uwer gemeente, overeenkomstig de bovenstaande bepalingen geacht worden van Joodschen bloede te zijn, en mitsdien vallen onder de personen, bedoeld in genoemde Instructie van den Rijkscommissaris, heb ik aan de(n) betrokkene bij schrijven van heden medegedeeld, dat hij (zij) met ingang van diezelfde datum van de waarneming van zijn (haar) functie is ontheven.
De Rijkscommissaris heeft bepaald, dat de betrokkenen voorlopig in het genot blijven van hun wedde (toelagen enz.).
In heel Nederland waren het 639 personen in alle vormen van openbaar en bijzonder onderwijs, waarvan 283 onderwijzers en onderwijzeressen in het lager onderwijs.[HNA 2.14.37/00310] Daarvan werkten er 133 in het Amsterdamse gewoon openbaar onderwijs. Zij kregen allemaal simpelweg van dat departement een briefje met de mededeling dat ze waren 'ontheven van de waarneming van hun functie'. Dat betekende overigens wél met behoud van het volle salaris en zelfs de tien gehuwde joodse onderwijzeressen, die met een 'kostwinnerstatus' in het Amsterdamse onderwijs werkten, hielden hun rechtspositie. De wethouder schreef ze op 10 januari 1941 ‘mitsdien blijft gij ook na 1 Januari 1941 voorloopig in het genot Uwer salaris’. Dat voorlopig was fijntjes opgemerkt, want per 1 maart 1941 werden ze allemaal werkelijk ontslagen. Volgens een briefje van de toen net benoemde Regeeringscommissaris voor Amsterdam Voûte, aan de Inspecteur voor het Lager Onderwijs in de inspectie Amsterdam, werden er 105 leerkrachten bij het openbaar lager onderwijs ontslagen en 23 bij het openbaar voorbereidend onderwijs. Vier kregen eervol ontslag en vervroegd pensioen. 102+23+4 = 129, we missen er dus 4 om de 133 die in november ontheven waren, vol te maken. Dat waren tijdelijke leerkrachten, waarvan de aanstellingen in november gewoon niet was verlengd; die stonden sindsdien op straat zonder salaris en zonder uitkering.

notitie 133 ONDERWIJZERS EN ONDERWIJZERESSEN

Bij de brief van het Departement aan de burgemeester van Amsterdam zit een lijst met de namen van 133 leerkrachten in het Amsterdamse openbaar onderwijs, met geboortedatum en de school waar zij stonden. Deze lijst heb ik overgebracht in bijgevoegd pdf-document.
[SAA 5191-7263-4697]
Dezelfde lijst zit ook in het archief van het departement als onderdeel van een lijst van alle lagere school leerkrachten in heel Nederland.
[HNA 214.37-310]
De lijst omvat niet alleen lagere school leerkrachten, er staan ook kleuterjuffen tussen en een paar MULO- en VGLO-onderwijzers.
a

\"images/docs/133_joodse_leerkrachten.pdf\"133 onderwijzers en onderwijzeressen

§ 3. vacatures
In het Amsterdamse gewoon openbaar lager onderwijs werkten in cursusjaar 40/41 zo’n 1000 onderwijzers en onderwijzeressen. Het plotselinge vertrek van ruim 100 leerkrachten greep op tal van lagere scholen diep in op het functioneren. Veel van de ontstane vacatures konden pas na de zomer van 1941 weer worden bezet, toen vanwege het vertrek van de joodse leerlingen, een herschikking van scholen plaatsvond.
Al in het najaar van 1940 kwam de Amsterdamse afdeling van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers met het voorstel om [SAA 5191 : 7235/4139]
'werkeloze leerkrachten die voor benoeming zijn uitgesloten, toch te benoemen op een overwegend Joodsche school (uitsluitend of bijna uitsluitend bezocht door Joodsche leerlingen).'
Maar wethouder Kropman van onderwijs antwoordde dat
'dat niet is toegestaan en dat het voorshands niet gewenscht is door overplaatsing van leerlingen, enkele bestaande scholen te maken tot scholen welke uitsluitend door Joodsche leerlingen worden bezocht'
De zorg van de Onderwijsbond betrof eigenlijk in de eerste plaats de nieuwe, vers afgestudeerde leerkrachten die nog niet benoemd waren en die vanwege hun Joods-zijn, niet meer voor een benoeming in het Amsterdamse onderwijs in aanmerking kwamen.
Ook op het departement maakte men zich zorgen hoe het verder moest. Begin maart 1941 liet Secretaris-generaal van Dam een brief opstellen aan Generalkommissar Wimmer, die het ‘joodsche vraagstuk’ namens Reichs-kommissar Seyss-Inquart behartigde:
‘Ik deel U mede, dat bij enkele groote gemeenten de vraag is gerezen, of het niet mogelijk zoude zijn, eenige der thans ontslagen Joodsche leerkrachten in functie te houden door bepaalde onderwijsinrichtingen uitsluitend te bestemmen voor Joodsche leerlingen. Zoowel te Amsterdam als te ‘s-Gravenhage zijn dergelijke maatregelen in oogenschouw genomen, en een en ander heeft inderdaad geleid tot het aanwijzen van bepaalde openbare scholen tot inrichtingen, uitsluitend beschikbaar voor leerlingen van Joodsche bloede, waaraan Joodsche leerkrachten verbonden kunnen blijven.
Op grond van de desbetreffende bepalingen van Duitsche zijde vastgesteld, heb ik gemeend, tot deze oplossingen te moeten medewerken. Aan eenige, oorspronkelijk ontslagen leerkrachten, is derhalve verlof verleend om onder de bovengenoemde voorwaarden in functie te blijven.’
’Liever niet (te) versturen’ staat met dik blauw potlood in de marge van dit briefconcept. Niet versturen betekent ook dat de maatregelen die van Dam voorstelde niet zijn uitgevoerd. De brief was slechts een poging van de Secretaris-generaal om een en ander in goede banen te leiden.

§ 4. concentreren
Het plan voor het beperkt samenbrengen van joodse leerlingen en joodse leerkrachten, is in Amsterdam niet van de grond gekomen. Wel was de Beauftragte für die stadt Amsterdam min of meer in samenspraak met het gemeentebestuur bezig de Joodsche Amsterdammers in kaart te brengen. In een brief van 16 januari vroeg hij het gemeentebestuur inlichtingen:
'in welchen Stadtteilen überwiegend Juden wohnen. Dazu bitte ich, eine Karte in vierfacher Ausfertigung beizufügen, aus der sich die Grenzen der Judenviertel genau ergeben.'
Als vertegenwoordiger van Reichskommissar Seyss-Inquart verzamelde hij allerlei gegevens over de Amsterdams-joodse bevolking en bedrijvigheid, als opmaat voor zijn plan een getto in te stellen. Uiteraard was zijn oog daarbij gevallen op de joodse buurt in de oostelijke binnenstad, het 'Judenviertel'. Het zal hem niet zijn ontgaan dat daar de joodse kinderen in groten getale, samen met ‘Arische’ kinderen in één klas zaten. Concentratie van de Amsterdamse Joden in één wijk zou vanzelfsprekend ook scheiding van joodse en niet-joodse leerlingen moeten betekenen. In die brief vroeg hij daarom ook:
'Wieviele öffentliche Schulen sich in de Judenvierteln befinden. Die Lage der Schulen bitte ich in die unter 1) erwähnte Karte einzutragen. Dabei bitte ich anzugeben, ob und welche Schulen jetzt nur Juden aufnehmen und wieviele jüdische Schüler jetzt Schulen besuchen, die sich ausserhalb der Judenviertel befinden.''
Het gemeentebestuur maakte Böhmcker echter duidelijk dat er niet één 'Judenviertel' bestond, maar een reeks van in elkaar overlopende buurten waar de meerderheid van de Joodse Amsterdammers woonde, maar ook haast evenveel niet-joodse stadsgenoten. Het instellen van een getto zou vanzelfsprekend het massaal uitplaatsen van die 'Arische' gezinnen betekenen en daar was het Duitsgezinde gemeentebestuur natuurlijk niet gelukkig mee. Een getto kwam in Amsterdam niet van de grond. In zijn brief van 13 mei 1941 aan de Regeeringscommissaris voor Amsterdam, meldde Böhmcker dat hij heeft besloten de 'absperrung aufzuhoben'.
Maar daarmee was het plan om de joodse scholieren af te zonderen bepaald niet van tafel. Uit de opgave die de afdeling onderwijs op 15 februari aan Böhmcker stuurde, bleek immers dat de joodse leerlingen over een aanzienlijk aantal scholen verspreidt waren, en niet alleen in de 'spezifische jüdenvierteln' . Dat moet hem zodanig hebben geërgerd, dat hij de Regeeringscommissaris Voûte tot maatregelen dwong, waarop deze zijn wethouder voor onderwijs op 15 april schreef:
'dat hem van de zijde der Duitsche autoriteiten is te kennen gegeven, dat dient te worden begonnen met de voorbereiding, verbonden aan het plaatsen van de Joodsche schoolkinderen in deze gemeente op één school of scholencomplex.
De Regeeringscommissaris noodigt den Wethouder voor Onderwijs uit, hieraan zijn aandacht te geven.'
Blijkbaar heeft deze uitnodiging bij wethouder Smit zoveel vragen opgeroepen, dat er van gemeentewege op 21 april een brief wordt gestuurd aan professor van Dam, de hoogste baas op het Departement van Opvoeding, in den Haag. Het ging er om 'eenige richtlijnen te mogen ontvangen, die naar Uw oordeel bij deze concentratie in het oog moeten worden gehouden.' In de brief komen verschillende problemen aan de orde, zoals het tijdstip van de voorgenomen concentratie, welke categorieën scholen het zou betreffen en de toe te passen criteria bij de bepaling van het Joodsch zijn. Voûte schreef in de laatste alinea's:
'Indien tot concentratie moet worden overgegaan, zou het aanbeveling verdienen, deze te beperken tot de buurten, die voor het merendeel door Joden worden bewoond. De te nemen maatregelen zouden dan minder ingrijpend en minder schadelijk voor het onderwijs behoeven te zijn.'
Van Dam op zijn beurt, wendt zich op 5 mei in een brief tot Generalkommissar Wimmer (die met het 'Jodenvraagstuk' was belast), neemt de vraagpunten van Amsterdam over en laat niet na zijn zorgen te uiten:
'Ik moge er in dit verband [de concentratie van Joodsche leerlingen] allereerst aan herinneren, dat het vraagstuk, hetwelk te Amsterdam aan de orde is gesteld, reeds eerder een onderwerp van overleg heeft uitgemaakt tusschen de Heer Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied en mij. Destijds is door den Rijkscommissaris het standpunt ingenomen, dat maatregelen van deze aard niet aan de orde waren.
De bezwaren, welke zich voordoen, gelden m.i. nog steeds in onverminderde mate, en het schijnt mij boven twijfel verheven, dat, mocht een dergelijke maatregel voor het geheele land worden voorgeschreven, met de onmogelijkheid van een goede uitvoering daarvan, een sterke verbreiding van onrust onder de bevolking gepaard zal gaan'
Maar hij besluit met:
'Resumereende zou ik er bij u derhalve op willen aandringen, dat eventueele maatregelen van dezen aard, zoo u deze voor noodzakelijk mocht houden, beperkt worden tot bepaalde gedeelten van de Stad Amsterdam, en dat daartoe door mij voorschriften worden ontworpen, aan de hand waarvan het bestuur van de Stad Amsterdam nagaat, welke uitvoerings-maatregelen in de practijk mogelijk zijn.'
Duidelijk is dat van Dam, sterker dan Burgemeester en Wethouder, weinig voelde voor isolatie van joodse leerlingen, al was het maar omdat hij een massale overstap van het openbaar naar het bijzonder (joods) onderwijs vreesde, waardoor de leerlingen uit het zicht van de overheid zouden verdwijnen.
'Mocht de concentratie slechts worden toegepast bij het openbaar onderwijs, dan zou van den maatregel het direct gevolg zijn, dat vele Joodsche leerlingen overgingen naar bijzondere inrichtingen van onderwijs, een gevolg, dat zeker niet bedoeld zal zijn.'
Een schriftelijke reactie van de Generalkommissar op de brief van de Secretaris-generaal is door mij niet in de archieven aangetroffen, maar op 9 juli is het dan zover. Van Dam schrijft aan Wimmer:
'De Regeeringscommissaris voor Amsterdam heeft mij medegedeeld dat hij op 8 juli jl. opdracht heeft ontvangen van den Beauftragte der Stad Amsterdam, om de verwijdering van Joodsche leerlingen van de scholen voor te bereiden, in deze vorm dat deze scheiding haar beslag moest krijgen bij het begin van den nieuwe cursus, derhalve in het begin van de maand september [....] Gaarne zou ik zien dat ook de mogelijkheid werd geboden om tijdig mededeeling te doen van de algemene gang van zaken, waardoor zal kunnen worden bereikt , dat een te verwachten onrust bij de bevolking in verband met deze maatregelen zoveel mogelijk wordt voorkomen'
Die Beauftragte was de regelrechte vertegenwoordiger van Reichskommissar Seyss-Inquart. Het is aannemelijk dat de opdracht waar Van Dam op doelt afkomstig was de Reichskommissar. Blijkbaar was hij, als hoogste baas op het departement van Opvoeding, hierbij gepasseerd. Hij moest het van Regeeringscommissaris Voûte vernemen. Niets wijst er op dat door de bezetter met de opmerkingen in zijn eerdere brief, noch met die in deze brief rekening is gehouden. Het gaat nu om de verwijdering van de Joodsche leerlingen en niet langer om concentratie op een beperkt aantal scholen. Het zal nog tot eind augustus duren voor dat er over deze isolatie een officiële mededeling aan de bevolking wordt gedaan.

§ 5. tellen
Het onderwijsbureau van de gemeente Amsterdam startte voortvarend met de voorbereidingen. Meteen al, op 9 juli kregen de hoofden van het openbaar onderwijs een circulaire :
'Bij dezen verzoek ik U mij vóór 13 Juli a.s. een nominatieve* opgaaf te verstrekken van de leerlingen Uwer school, die van Joodschen bloede zijn.
Als te zijn van Joodschen bloede moeten worden beschouwd de kinderen, die drie of vier Joodsche grootouders hebben en voorts de kinderen, die twee Joodsche grootouders hebben en die zelf of wier ouders tot een Joodsche kerkelijke gemeente behooren.
De opgaaf moet vermelden de namen en voorletters der kinderen en het leerjaar, waarin zij na de zomervacantie zullen plaats nemen. Bij de opgaaf moeten gevoegd worden de leerlingkaarten dezer kinderen.
Leerlingen die na de zomervacantie niet terugkomen, behoeven niet te worden vermeld. Evenmin de kinderen, die staan ingeschreven en nog niet zijn geplaatst.
Ik vestig er Uw aandacht op, dat in gevallen van twijfel omtrent de afstamming niet mag worden afgegaan op de mededeelingen der kinderen zelf, doch inlichtingen aan de ouders moeten worden gevraagd.’
*met nominatieve opgaaf werd gewoon bedoeld: een lijst van namen
Alle hoofden van de 183 Amsterdamse openbare lagere scholen leverden de gevraagde gegevens. Maandag-morgen 14 juli waren de namenlijsten allemaal binnen op het Onderwijsbureau aan de Falckstraat. Zover ik heb kunnen nagaan, was er in Amsterdam slechts op één school sprake van weigering, door één onderwijzer [zie mijn artikel een kleine heldendaad] maar dat neemt niet weg dat ook dat het hoofd van die school zijn lijstje tijdig op de post heeft gedaan.
De leerlingenaantallen werden verzameld en verwerkt in een rapport dat op 29 juli door de chef van het Centraal Onderwijs Bureau werd aangeboden aan de Directeur van de Afdeeling Onderwijs op het Amsterdamse stadhuis. Het betrof:
'Een overzicht van het aantal leerlingen, dat als Joodsche leerlingen moet worden beschouwd, welke leerlingen scholen voor openbaar lager onderwijs bezoeken en met wier vertrek rekening moet worden gehouden.'
Volgens de opgaven zaten er 4.105 vol-joodse kinderen op de openbare lagere scholen. De cijfers waren geordend naar de zestien kwartieren waarin de stad in die tijd was opgedeeld. In tien stadskwartieren waren het kleine aantallen, variërend van 3 leerlingen in de Jordaan tot 81 in de Indische buurt, in totaal 214 kinderen. In de overige zes wijken zaten bij elkaar 3.891 joodse leerlingen op school, met als uitschieter uiteraard de Jodenbuurt in de oude binnenstad, met 1.232 kinderen. Deze cijfers vormden een maand later de basis voor hergroepering van een aantal Amsterdamse scholen.
Er was al eerder een inventarisatie van joden in Amsterdam gemaakt. Dat was in opdracht van de Beauftragte, die in januari 1941 allerlei aspecten van de joodse samenleving in Amsterdam bij elkaar bracht voor het instellen van een getto. De gemeente levert hem op 15 februari 1941 een uitputtende inventarisatie van zieken-huizen, bejaardenhuizen, aantallen woningen en bedrijven én joodse leerlingen. Dat waren er toen 5.415, zoals geteld op alle openbare lagere scholen in Amsterdam. Volgens de opgave zat de helft daarvan op de zeventien scholen in de Jodenbuurt, de Oosterpark- en Transvaalbuurt. De rapporterende ambtenaar merkte echter op:
'dat bovenstaande gegevens zijn gegrond op een telling van de Joodsche leerlingen, afgaande op voor- en achternamen van de leerlingen en hun ouders. De juiste gegevens kunnen eerst verkregen worden, wanneer over eenige maanden de resultaten van den aanmeldingsplicht der Joodsche ingezetenen bekend zijn en die gegevens zijn vergeleken met de schoolgegevens.'
Die aanmeldingsplicht werd voor Joodse Amsterdammers op 10 maart 1941 van kracht. [zie verder § 11] Men moest zich registreren bij de Joodsche Raad, via het bureau van de Raad kwamen de gegevens terecht in het Gemeentelijke Bevolkingsregister; de persoonskaarten werden voorzien van een ‘ruitertje’.
Aan de hand van deze registratie presenteerde het gemeentelijke bureau voor de statistiek in mei 1941, een nauwkeurig overzicht van ‘De Joodsche bevolking in de verschillende wijken der Gemeente’. Het waren er 85.897 op een totaal aantal ingezetenen van 755.170, dus ruim 10% van de Amsterdammers had zich als joods aangemeld. Bij deze statistiek zat een kaart van Amsterdam, betreffende 'verspreiding van de joden over de gemeente (mei 1941)', de joodse wijken zijn ingekleurd, hoe donkerder rood hoe joodser de buurt.
Deze bevolkingsregistratiegegevens werden door het Onderwijsbureau vergeleken met de inschrijvings-gegevens van alle leerlingen. Dat mondde uit in een nieuw overzicht van Joodse leerlingen in het gehele openbaar onderwijs, nu gespecificeerd per school. Deze lijst verscheen eind mei 1941 en werd direct aan het departement gestuurd, waarschijnlijk ter onderbouwing van de aanbeveling die Voûte in zijn brief van 15 april deed om de concentratie van Joodse leerlingen te beperken tot de buurten, die voor het merendeel door Joden worden bewoond :
'naar aanleiding van uw mondeling tot mij gerichte verzoek zend ik u hierbij een adreslijst van openbare lagere scholen (….) waarop bij elke school vermeld staat het aantal Joodsche leerlingen, dat naar een voorlopige schatting de school bezoekt.'
Van Dam stuurde de lijst op 11 juni, keurig overgetypt door aan Wimmer met inderdaad het voorstel om de joodse leerlingen te concentreren op een twintigtal 'typisch joodsche lagere scholen' Hij was blijkbaar nog steeds de mening toegedaan dat er een beperkte concentratie van joodse leerlingen mogelijk was. De lijst omvatte 5.141 joodse leerlingen op de gewone openbare lagere scholen. Dat aantal is lager dan de opgave van februari aan Beauftragte Böhmcker, maar beduidend hoger dan de uiteindelijke stand van zaken per 29 juli van 4.105 leerlingen. In het Amsterdamse openbaar lager onderwijs zaten dat jaar veertigduizend leerlingen, ruim 10% was dus joods.
Het leek alsof het bijzonder onderwijs buiten schot bleef. Dat gold zeker voor de vijf niet-openbare Joodse lagere scholen die de stad telde, met tezamen zo'n 1.100 leerlingen. Het waren deze scholen waarnaar een massale overstap werd verwacht bij de invoering van de isolatie-maatregel.

notitie WEIGERINGEN

WEIGERINGEN
Er is slechts sporadisch iets bekend met betrekking tot de weigering joodse leerlingen aan te geven. Naast mijn vader Lau Janszen, onderwijzer in het Amsterdamse Betondorp, zijn er in Nederland tenminste twee andere weigeringen gedocumenteerd. Zie daarvoor Lou de Jong en Jacques Presser (resp. deel 5, pagina 525 e.v. en hoofdstuk II, pagina 135 e.v.) Het betreft twee onderwijzeressen in Haarlem.

Ook schrijven de Jong en Presser over de briefsgewijze weigering door het gemeentebestuur (de burgemeester) van Enkhuizen. Ik vond deze uitvoerige brief (3 velletjes)( en later nog eentje) in HNA; de burgemeester motiveert waarom niet kan worden meegewerkt aan de scheiding dat betreft het feit dat er geen rechtsgrond is voor de uitgevaardigde maatregelen, er wordt uitvoerig verwezen naar de verschillende artikelen van de lager onderwijswet van 1920. SG van Dam antwoordt (6 september 1941) dat de maatregelen zoals thans uitgevaardigd in strijd zijn met de bestaande wetsbepalingen, maar dat hij er niet aan twijfelt dat het Duitsche gezag bevoegdheid bezit om aanwijzingen te geven, zoals met de maatregelen is geschied. Verder laat hij weten dat de Duitsche autoriteiten de bedoeling hadden om aan de maatregelen die wettelijke grondslag te verlenen en dat hij daar met klem op heeft aangedrongen. Maar zoiets zou erg veel voorbereiding hebben vereist, en daarom is er van af gezien. [HNA 21437/00386 - 29 augustus 1941].. (Die burgemeester van Enkhuizen was Johannes Cornelis Haspels (1901-1965); augustus \'42 ontslagen en gevangengezet in St Michielsgestel, na de bezetting weer burgemeester van Enkhuizen).

Toevallig kwam nog een andere weigering naar boven, weliswaar in Frankrijk, het was Antoine Gouze, de vader van de echtgenote van president Mitterand, Danielle Gouze. Hij was directeur van een college, in Villefranche en weigerde in maart 1941, de joodse leerlingen van zijn school aan te geven bij het Vichy regime, hij werd daarop ontslagen. (NRC 22 nov 2011)

En verder vermeldt Femke Mooijekind in haar masterscriptie (UvA 2011) over de leerlingenscheiding in Amersfoort, het hoofd van een particuliere kleuterschool Jep van Albada; zij schreef op 8 september 1941 aan het Amersfoortse gemeentebestuur Tot mijn spijt kan ik u geen opgave verstrekken van het aantal Joodse leerlingen dat mijn school bezoek, daar mijn geweten hiertegen in verzet komt (Frits Abrahams maakt er melding van in zijn column NRC 18 dec 2014).

Wellicht zijn er meer gevallen van vergelijkbare kleine heldendom.
- ik hou me aanbevolen.

A

\"images/docs/enkhuizen_aug_41.pdf\"Burgemeester Enkhuizen

notitie LEERLINGEN AANTALLEN
over de aantallen joodse leerlingen
Hondius vermeldt in Absent, pagina 41: de eerste telling was immers uitgegaan van de aantallen joodse leerlingen in oktober 1940. Hiermee impliceert zij dat er reeds in najaar 1940 zon jodentelling is verricht.
In mijn onderzoek heb ik geen enkel bewijs voor zon conclusie gevonden. De eerste telling waar Hondius naar verwijst, is die (zie bij haar pagina 37) die op 29 mei 1941 door de Regeeringscommissaris voor Amsterdam is geleverd aan de SG.
De aantallen, geordend per school zijn met de hand bijgeschreven (totaal aantal leerlingen en joodse leerlingen) op de gedrukte Adreslijst betreffende het openbaar onderwijs in de gemeente Amsterdam, links boven op pagina 1 van die adreslijst staat gedrukt November1940, dat is echter doorgehaald met een stempel 1941.
Boven de eerste met de hand bij-geschreven kolom staat : \'Totaal aantal per 1 oct. 1940\'.
Er waren in die tijd jaarlijks 3 tel-momenten september januari mei (zie SAA 5191 : 10560 aangaande de leerlingenaantallen in het bijzonder onderwijs). Daar de lijst eind mei aan de SG (en 9 juli aan de Beauftragte) is gezonden, is het aannemelijk dat de aantallen gebaseerd zijn op de teldatum 1 mei 1941. (SAA 5191 7392 brief en lijst zijn door het bureau Verificatie geregistreerd onder hetzelfde nummer: 2215)
Verder stelt Hondius op pag. 30 van Absent, dat het onduidelijk is van wie de opdracht kwam voor de telling die half februari werd gerapporteerd. Ik toon aan dat die telling is gedaan in opdracht van Beauftragte Böhmcker (SAA 5181-5268 - dd 16 januari 1941).
Mijn conclusie is dat deze telling de eerste poging was om de joodse leerlingen in het (lager) onderwijs te inventariseren.
Om nog even door te zeuren over de aantallen : op pagina 36 noemt Hondius als aantal joodse leerlingen in het lager onderwijs 4.833, als uitkomst van het rapport van 29 juli (op basis van de door de scholen geleverde gegevens) en op pagina 37 noemt ze het aantal van 5.141.
Ik kom tot een groter verschil tussen die twee lijsten : in het eerste getal bij Hondius zijn de B.O., ULO. en VGLO scholen meegenomen en in het tweede getal is dat exclusief deze scholen (die overigens wel bij het lager onderwijs waren ingedeeld).
Mijn conclusie is : lijst 29 mei : 5.141 + 849 = 5.990 en lijst 29 juli : 4.105 + 728 = 4.833, een verschil van zon 1.150 leerlingen. Welk verschil lijkt mij, veroorzaakt zal zijn doordat de lijst van eind mei gebaseerd is op de gegevens afkomstig uit de jodenregistratie van maart 1941, terwijl die van eind juli de gegevens van de schoolhoofden omvat.
Bij de registratie werd het criterium tenminste één joodse grootouder gehanteerd, terwijl de schoolhoofden moesten afgaan op tenminste drie. Maw de lijst van mei, die naar de SG en Böhmcker is gestuurd omvat naast de vol-joodse ook de half- en kwart joodse leerlingen. In § 11 ga ik hier verder op in.
Belangrijker vind ik echter de aantallen joodse leerlingen die werkelijk per half september 1941 op de joodse lagere scholen zaten. Die staan in een bijlage bij een brief van de Burgemeester van Amsterdam van 10 october (ja toen was de titel weer Burgemeester) aan de SG van Dam ( SAA 5191: 7430-3217). Die bijlage vind ik onder dit nummer niet terug, maar wel in HNA 2.14.37/00386.
Voor de openbare lagere scholen is het aantal dan 3.983 plus 1.292 in het bijzonder onderwijs. Uit eerdere gegevens weet ik dus dat in juli door de hoofden 4.105 joodse kinderen zijn geteld en dat administratie van het bijzonder onderwijs 1.149 kinderen telde, bij elkaar dus 5.254. Terwijl het openbaar onderwijs afnam (van 4105 naar 3983) groeide het bijzonder joods onderwijs (van 1.149 naar 1292) daar was de gemeente juist beducht voor geweest. Deze trend zette zich in 1942 verder door, totdat tegen de zomer de transporten startten.
A

\"images/docs/tabel_joodse_leerlingen.pdf\"getelde aantallen leerlingen

\"images/docs/tabel_joodse_leerlingen.pdf\"

§ 6. de aanwijzing
Op 8 augustus was daar dan de officiële aanwijzing van Reichskommissar Seyss-Inquart. Bovenaan de brief met adelaar en hakenkruis stond 'geheim' maar de Duitse tekst was overduidelijk:
'dass ab 1. September ds. Js sämtliche jüdischen Schuler aus den niederländischen öffentlichen und privaten Schulen ausscheiden und in denkbar kürzester Frist in Judenschulen zusammengefasst werden, in denen lediglich jüdischen Lehrer unterrichten. Derartige Schulen müssen in den Städten Amsterdam, Den Haag und Rotterdam bis zum 1. September ds. Js. vom Staat oder den Gemeinden zur Verfügung gestellt sein.'
en verderop :
'Es muss verhindert werden, dass durch die Ausführung dieser Weisung jüdische Kinder über die normale Ferienzeit hinaus länger als etwa vier Wochen unbeschult bleiben.'
Seyss-Inquart beval de regelrechte verwijdering van alle joodse leerlingen, om ze vervolgens samen te brengen op speciaal daartoe opgerichte scholen, met uitsluitend joodse leerkrachten. Anders dan wat van Dam en Voûte voor ogen hadden, gaat het nu om een totale isolatie en concentratie. De verwijdering moest ingaan op 1 september. Woensdag 13 augustus zond van Dam een afschrift van deze aanwijzing aan burgemeester Voûte, de Regeeringscommissaris voor de gemeente Amsterdam:
'stel ik er veel prijs op om binnen den kortst mogelijken tijd van U te vernemen, tot welke algemeene opmerkingen, met betrekking tot de mogelijkheid van uitvoering van dit besluit in uw gemeente U aanleiding geeft.'
Voûte antwoordde zo snel mogelijk; op dinsdag 19 augustus, schreef hij Van Dam:
' De verwijdering van alle joodsche leerlingen van openbare en bijzondere scholen te Amsterdam, reeds met ingang van 1 September a.s., is, al zijn er ook veel administratieve moeilijkheden aan verbonden, mogelijk. Bereids zijn hiervoor door mij de noodige maatregelen genomen.
Meer bezwaarlijk is het op korte termijn de openbare scholen, die veel joodse leerlingen verliezen, tot scholen met een normale klassenformatie te hergroeperen en de noodige joodsche scholen te organiseren. Voor het eerste is geen termijn gesteld, voor het laatste wel. Althans is in het schrijven van den Commissaris-Generaal voor Bestuur en Justitie voorgeschreven, dat op zeer korten termijn schoolgebouwen voor joodsche scholen beschikbaar moeten worden gesteld en verder uitdrukkelijk te kennen gegeven, dat voorkomen moet worden, dat de verwijderde joodsche leerlingen langer dan ongeveer vier weken na de normale vacantie zonder onderwijs blijven. Aangezien het vrijmaken van gebouwen voor joodsche scholen alleen kan geschieden door een hergroepering van de leerlingen der openbare scholen in de betreffende stadsdeelen, zou de hergroepering ook op zeer korte termijn moeten geschieden. Dit nu is practisch niet goed mogelijk. Er moeten duizenden leerlingen worden overgeplaatst, personeelsvoorzieningen worden getroffen, de noodige verhuizingen worden bewerkstelligd, enz. Een en ander kost tijd en brengt veel administratieve beslommeringen met zich. Het is uitgesloten, dat de uitvoering van een en ander in enkele weken kan geschieden.
De maatregel zou m.i. gemakkelijker uitgevoerd kunnen worden, ook minder bezwaar ontmoeten en minder schade aan het onderwijs, zowel van niet-joodsche als van joodsche leerlingen toebrengen, indien wat meer vrijheid van beweging en bovenal meer tijd voor de uitvoering werd gegeven.'
Van Dam wendde zich direct tot dr. Schwartz die namens Seyss-Inquart toezicht hield op het departement en verzocht de maatregelen voor Amsterdam op te schuiven 'en wel zodanig dat een en ander op 1 november afgerond is'. Het antwoord van de Reichskommissar kwam per ommegaande met de toestemming om 'voor Amsterdam den datum, waarop Joodsche leerlingen van de scholen zouden moeten verwijderd zijn te verschuiven naar 1 oktober'.

notitie AANWIJZING

de aanwijzing door de Reichskommissar
Hondius heeft het uiteraard ook over dit belangrijke moment in deze geschiedenis. Op pagina 39 van Absent, heeft zij het over een \'verordening\' terwijl het een \'aanwijzing\' was.
Er was juist aldoor sprake van dat er een verordening zou komen; zie van Dam\'s brief van 7 juli 1941: \'Het is mij bekend, dat binnen afzienbare tijd van Duitsche zijde een regeling zal worden gegeven aangaande de positie der Joodsche Nederlanders. Daarbij zal, naar mij ter oore kwam, ook aandacht worden geschonken aan de vraag op welke wijze het onderwijs voor Joodsche kinderen moet worden geregeld. In verband hiermede geef ik er de voorkeur aan, de beantwoording van uw nevensvermeld schrijven aan te houden tot dat deze algemene regeling het licht zal hebben gezien\' [HNA 21437/00349].
Een ontwerp voor een \'verordening betreffende Joodsche leerlingen en leerkrachten\', afkomstig van de Rijkscommissaris heb ik wel aangetroffen bij HNA, maar meer dan een (eerste) ontwerp is het niet. [HNA 21437/00351] Het werd dus een \'aanwijzing\' gebaseerd op de 3e verordening uit 1940 \'aangaande de uitoefening van de regerings-bevoegdheden door de Reichs-kommissar\' .
Verder schrijft Hondius dat die verordening afkomstig was van \'De rijkscommissaris voor het bezette Nederland , Wimmer\' Deze man was echter ondergeschikt aan de werkelijke Reichskommissar, Seyss-Inquart, waar de aanwijzing van afkomstig was. Het origineel op briefpapier met een geprägde adelaar met hakenkruis, zit bij HNA onder nummer 21437/00352. Bij SAA zit een getypt afschrift onder nr 5191-7430-3217 en dat is niet het archief van de Wethouder van Onderwijs, zoals Hondius aangeeft bij noot 50 op pagina 297, maar van de afdeling onderwijs van de secretarie.

Bij het herlezen van Absent in 2014, kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat een niet onbelangrijk deel van haar inleidende hoofdstukken nogal sterk leunen op tekst en onderzoek van Xandra van Gelder, die in 1989 haar doctoraalscriptie, onder de titel Samenkomst en vertrek wijdde aan het onderwijs aan Joodse kinderen in Nederland, September 1941-september 1943 (UVA politicologie 1998), waar Hondius summier naar verwijst [p 13 en noot 131]. Ik heb (pas in 2014) deze scriptie gevonden, in de bibliotheek van het JHM ik denk dat het voor mij een te ver station is om beide studies te vergelijken op overeenkomsten en verschillen. Maar wellicht kom ik er bij mijn commentaar & conclusies tzt op terug.

Het zij mij vergund op deze plaats op te merken dat de verwijzingen naar archiefstukken in de noten van Hondius verre van nauwkeurig zijn en bepaald niet consequent in de manier waarop de stukken (al dan niet met archief/inventarisnummers) worden aangeduid.

[Ik nodig iedere lezer graag uit mij op onjuistheden en onvolkomenheden te wijzen in mijn teksten; het voordeel van publicatie via een website, is dat elk woord, elke verwijzing makkelijk te corrigeren is !]

A

§ 7. de bijzondere scholen
Bij de leerlingenopgave in juli leek het er nog op dat het bijzonder onderwijs buiten de maatregel zou vallen, maar direct na de zomervakantie werden ook deze scholen in Amsterdam - Rooms Katholiek, Protestants en Neutraal, aangeschreven. Door enige verwarring had de afdeling Onderwijs gedacht dat de maatregel beperkt kon blijven tot het onder de gemeente vallende openbaar onderwijs. Van Dam maakte echter duidelijk dat de bezetter bedoelde dat alle lagere scholen, openbaar én bijzonder, (‘öffentlichen und privaten Schulen’ stond in de aanwijzing van 8 augustus) verboden zouden worden voor joodse kinderen. Dat schreef hij in zijn brief van 25 augustus en dat was eigenlijk de eerste brief waarin het Departement van Opvoeding de order tot verwijdering van Joodse leerlingen aan de gemeente-besturen openlijk bekend maakte:
‘Ik deel u thans mede, dat mij is opgedragen te bevorderen, dat de Joodsche leerlingen met ingang van 1 September a.s. van de scholen - voor zoover deze niet uitsluitend voor Joodsche kinderen zijn bestemd - worden verwijderd. In verband hiermede verzoek ik U aan alle in Uw gemeente gevestigde scholen - openbare en bijzondere - mededeeling te doen van deze beslissing der Duitsche autoriteiten, en er wel op toe te zien, dat aan deze order gevolg wordt gegeven.
De Joodsche leerlingen bij het lager onderwijs moeten, zowel bij het openbaar als het bijzonder onderwijs, worden medegeteld op den teldatum van 16 September 1941 van de school, welke zij verlaten of zouden hebben bezocht, U gelieve dit eveneens aan de schoolbesturen mede te delen.
Met nadruk wensch ik erop te wijzen, dat het in de bedoeling ligt om de Joodsche kinderen in staat te stellen, het onderwijs, dat zij thans genieten, te vervolgen, zij het dan in afzonderlijke onderwijsinrichtingen.’
Het Onderwijsbureau haastte zich nu alle niet-openbare scholen aan te schrijven [in de marge van het briefconcept van 18 augustus, staat in blauw potlood genoteerd: '300 exemplaren'] met de opdracht de joodse leerlingen met naam en geboortedatum aan te geven. De hoofden van de openbare scholen hadden dan wel vlak voor de vakantie, loyaal en nauwgezet hun opgaven verstrekt, de reacties van uit het bijzonder onderwijs waren bepaald afwijzend. Het ging in Amsterdam om zo'n 120 lagere scholen voor bijzonder onderwijs. Ze antwoordden allemaal, sommige met een keurige opgave van aantal joodse leerlingen, zoals de hervormde Willem de Zwijgerschool, in de Transvaalbuurt, die 20 Joodsche leerlingen aangaf. Maar de meeste confessionele scholen weigerden een opgave te doen, met een beroep op Luther :'dat het altijd gevaarlijk is, iets tegen het geweten te doen' of met een citaat uit het Bijbelboek Romeinen: 'den Hoogsten wetgever die ons verbiedt onderscheid te maken tussen Jood of Griek, omdat Hij heere is van allen die Hem aanroepen'. Vaak was het hoofd van de school pragmatischer dan het bestuur, er kwamen dan twee brieven binnen, de ene principieel dat opgave werd geweigerd en de andere, van het hoofd, die keurig verklaarde dat er geen Joodse kinderen de aangeschreven school bezochten.

§ 8. herschikking
De gemeentelijke afdeling onderwijs was al sinds de verschijning van het rapport over de vertrekkende en blijvende leerlingen, eind juli, bezig de geëiste concentratie van joodse leerlingen voor te bereiden Het is een aanzienlijke reorganisatie schreef Voûte aan van Dam, met veel 'administratieve beslommeringen'. Het ging om meer dan 30 scholen, met wel 7.500 kinderen, zo'n 4.000 joodse en 3.500 arische leerlingen en een ook paar honderd onderwijzers en onderwijzeressen. Ze moesten allemaal van school wisselen. Half augustus hadden de onderwijs-ambtenaren het plan voor de 'hergroepering' klaar. In zijn brief van 19 augustus, aan van Dam, schetste Voûte:
'Zooals U bekend, zijn er in Amsterdam scholen, welke door een zeer groot percentage joodsche leerlingen worden bezocht. Ik zou het onderwijs aan deze scholen, die voor het meerendeel joodsche scholen zullen worden, na 1 September a.s. gewoon willen doen voortzetten door de eigen (niet-joodsche) onderwijzers deze scholen. Naarmate de hergroepeering van de leerlingen der openbare niet-joodsche scholen vordert, zou ik van bedoelde scholen willen wegnemen de niet-jooodsche leerlingen en hun plaatsen willen doen innemen door joodsche leerlingen en aldus de joodsche scholen organiseren.
Het groote voordeel van een dergelijke wijze van handelen is, dat niet op 1 September a.s. plotseling een zeer groot aantal joodsche kinderen zonder onderwijs komt. Het overgroote deel der joodsche kinderen zal na 31 Augustus a.s. gewoon onderwijs kunnen blijven ontvangen. Zonder onderwijs gedurende korten tijd zullen slechts blijven de joodsche leerlingen van die openbare scholen, waar het aantal deze leerlingen betrekkelijk gering is.
De bedoelde joodsche scholen zouden voorlopig openbare scholen met haar eigen onderwijzers blijven. Zodra mogelijk zouden de niet-joodsche onderwijzers dezer scholen vervangen moeten worden door joodsche onderwijzers. Is eenmaal de door den Commissaris-Generaal bedoelde joodsche raad gevormd, dan zouden deze scholen overgedragen kunnen worden aan den joodschen raad.
Het departement kwam, na overleg met de bezetter, al snel met de toestemming: Amsterdam kreeg volop de gelegenheid om volgens de aangegeven methode 'gedurende de eerstvolgende weken de verplaatsing van arische en niet-arische kinderen te regelen' maar 'langer uitstel is ondenkbaar.' Deze slag leek door Amsterdam gewonnen, niet alleen is er uitstel tot 1 oktober maar ook een herschikking naar eigen inzicht en mogelijkheden was door de bezetter toegestaan. Dat nam niet weg dat er nog wel wat kwesties waren waar de instemming van de bezetter voor noodzakelijk was.
Zo was er een probleem van de dubbele schoolgebouwen zoals die in de nieuwe wijken veelvuldig in gebruik waren. De vraag was dan of zo'n nieuwe joodse school gevestigd mocht zijn in zo'n schoolgebouw, náást een niet-joodse. Van Dam was daarover duidelijk:
'dat de Duitsche autoriteiten een oplossing, in welken vorm ook, waarbij in hetzelfde gebouw een niet-Joodsch en een Joodsche school wordt ondergebracht, niet kunnen aanvaarden.'
Daarop koos Amsterdam er voor in drie buurten, beide scholen in een dubbelschoolgebouw vrij te maken voor joodse scholen. Dat gebeurde in de Jekerstraat in Zuid, aan het binnenhof van de Sparrenweg in de Oosterpark-buurt en in de President Brandstraat in de Transvaalbuurt. Vijf van de zittende scholen werden opgeheven en de zesde verplaatst. Ondanks dat kwam er op 16 oktober een klacht van de Beauftragte bij Voûte binnen, omdat er joodse scholen onder één dak zaten met niet-joodse, althans dat leverde een ‘Uberprüfung’ op:
'Durch diesen Zustand wird das Eindziel, die Jugend schon frühzeitig auf die Rassenfrage aufmerksam zu machen, nicht erreicht.'
Voor het eerst werd dit 'Eindziel' in de correspondentie naar voren geschoven, geen van de andere betrokkenen plaatste de ontjoodsing van het onderwijs eerder in een ideologisch kader, zoals Böhmcker hier deed.
Hij klaagde over vijf scholen: de Joodsche Voorbereidende school B in de van Swindenstraat; de Joodsche school aan het van Bossenburgplein; de Joodsche Montessori in de Niersstraat, de Joodsche klas (school nr 15) aan de Floraweg en de Wilhelmina Catherina school aan de Weteringschans. Voûte antwoordde per ommegaande met een brief van drie kantjes waarin hij per school aangaf wat er aan de hand was. Bijvoorbeeld dat die Joodsche Montessorischool helemaal niet in de Niersstraat zat, maar aan het Willinkplein. Hij begon zijn betoog met:
'Amsterdam heeft in de laatste 10 a 20 jaar bijna uitsluitend schoolgebouwen opgericht, bestemd voor 2 à 3 , soms zelfs 4 scholen. (...) De bedoelde wijze van bouwen is zóó normaal geworden, dat in sommige stadsdeelen niet anders dan zulke paarsgewijze gebouwde scholen voorkomen. Bij de organisatie der joodsche scholen moest uit den aard der zaak met dit feit rekening worden gehouden.'
en hij besluit met fijntjes op te merken:
'Overigens vraag ik mij af, of het door U genoemde einddoel, de jeugd al vroegtijdig op het rassenvraagstuk opmerkzaam te maken, niet juist veel beter wordt bereikt door een joodsche school naast een niet-joodsche school te vestigen.'
Een groter probleem dan de huisvesting, was de status van de nieuwe scholen, duidelijk was dat het geen gewone openbare scholen zouden zijn. In de aanwijzing van 8 augustus schreef de Rijkscommissaris immers:
'Es ist beabsichtigt, die Unterhaltung und die Aufsicht der Juden-schulen einem zu gründenden jüdischen Rat zu überlassen. Biss dahin müssen diese Schulen aus öffentlichen Mitteln finanziert werden und sowohl im Aufbau wie in ihrem Betrieb von den zuständigen Schulinspektoren und Gemeindestellen betreut werden.'
De opzet van de bezetter was duidelijk: het onderwijs aan joodse kinderen diende volledig buiten de samenleving te worden geplaatst, het beheer, het toezicht én de financiering moest een zaak van de joden zelf zijn. Maar zover was het nog niet en het zou nog ruim een jaar duren voor de Joodse Raad de scholen toegeschoven kreeg. In eerste instantie was het beheer van deze nieuwe joodse scholen de taak van de gemeenten.
Amsterdam vroeg het Departement meer duidelijkheid in verband met de vele regels die in het onderwijs golden. De door de bezetter aan de gemeente opgelegde gang van zaken zou daarmee wel eens in strijd kunnen zijn. Van Dam was in zijn brief van 9 september duidelijk, dat de scholen:
'aangemerkt kunnen worden als ongesubsidieerde inrichtingen voor bijzonder onderwijs. Al zal aanvankelijk de financiering uit de openbare kas plaatshebben, reeds thans dit karakter aan de Joodsche scholen moet worden toegekend.'
Ongesubsidieerd en bovendien bijzonder onderwijs, dat maakte het mogelijk om bestaande regelgeving te omzeilen. Tegelijkertijd eiste de bezetter dat de joodse kinderen wel leerplichtig bleven en naar school gingen.

§ 9. onderwijsteams
Het belangrijkste probleem naast het vrijmaken van schoolgebouwen, was natuurlijk de samenstelling van de onderwijsteams voor de op te richten joodse scholen. Het bevel van de Rijkscommissaris was duidelijk 'joodse leerlingen mogen in het vervolg uitsluitend les krijgen van joodse leerkrachten'. Maar die waren juist in maart 1941 in opdracht van de bezetter ontslagen. Sindsdien was het lagere overheden en bijzondere scholen verboden joodse leerkrachten in dienst te hebben. Hier kwam de bijzondere status van de scholen van pas. Met het vooruitzicht dat de scholen onder het beheer van de Joodsche Raad zouden komen, werd het de gemeente toegestaan joodse leerkrachten op tijdelijke basis, aan te stellen. Dus zette de afdeling Onderwijs al die ontslagen joodse onderwijzers en onderwijzeressen weer op een lijst, met geboortedatum, bevoegdheden en burgerlijke staat. Iedereen stond er weer op, behalve de vier die met pensioen waren gegaan. 129 leerkrachten waren beschikbaar, 83 van hen voor het gewoon lager onderwijs. Ruim 4 duizend leerlingen en slechts 83 leerkrachten, dat leverde een gemiddelde op van zo’n 48 kinderen per klas, terwijl de bezetter de leerlingenschaal juist had verlaagd naar maximaal 42 leerlingen per onderwijzer.
Alleen al in de 'joodse wijken' moesten 45 klassen worden gevormd om alle leerplichtige kinderen een plaats te geven en in het Montessorionderwijs ging het om ten minste 9 klassen, terwijl er maar 4 joodse leerkrachten met een Montessori-bevoegdheid op de lijst stonden.
Burgemeester Voûte nam contact op met het Departement om zijn zorgen over deze capaciteits-problemen te uiten. Secretaris-generaal van Dam liet op 9 september weten dat die wettelijke leerlingenschaal niet van toepassing was. Bovendien was er geen bezwaar gehuwde onderwijzeressen aan te stellen, mits ze maar joods waren. 'Al deze voorschriften missen mijns inziens te dezen toepassing' schreef hij.
En zo kon de afdeling onderwijs aan de slag, eerst werden er zestien schoolhoofden bij elkaar gezocht. Een aantal vervulde die functie al voor het ontslag en verder waren er genoeg met een hoofdakte, die voor benoeming in aanmerking kwamen. Vervolgens werden de teams samengesteld, dat ging met grote zorgvuldigheid. Vaak kwamen de leerkrachten gewoon terug op hun oude school en in andere gevallen werd - nogal vooruitziend, rekening gehouden met de afstand tussen huis en school. Eind augustus had er al een oproep voor Joodsche Leerkrachten in 'het Joodsche Weekblad' gestaan:
'Teneinde een overzicht te krijgen van de beschikbare Joodsche leerkrachten voor alle takken van onderwijs te Amsterdam, noodigt de Regeerings-commissaris voor Amsterdam hen, die in aanmerking komen voor een aanstelling op scholen met uitsluitend Joodsche leerlingen, welke zullen worden opgericht, uit, zich terstond schriftelijk aan te melden bij de afdeeling Onderwijs, Stadhuis, met vermelding van hun bevoegdheden.'
Zo kon het bestand van 83, aangevuld worden met leerkrachten die niet tevoren in dienst waren bij de gemeente. Het waren voornamelijk herintredende gehuwde onderwijzeressen, een paar jonge onderwijzers, nét gediplomeerd aan een kweekschool en een drietal afkomstig uit het bijzonder onderwijs. Het bleek minder moeilijk dan gedacht de teams rond te krijgen, er waren zelfs vaste invallers voor ziektevervanging. Natuurlijk waren ze allemaal bevoegd om voor de klas te staan, daar bleef de onderwijs-inspectie nauwgezet op toezien.
Half september was het zover, de afdeling Onderwijs voerde een ware benoemingencarrousel uit, waar zo'n 20% van de Amsterdamse lagere school leerkrachten, joods en niet-joods, in betrokken raakte.
benoemingencarrousel
Mijn vader was juist in augustus overgeplaatst van de Watergraafsmeerschool naar de Christiaan de Wetschool in de Transvaalbuurt, hij kwam in de plaats van meester Bram Wurms, die in november 1940 moest vertrekken. Die school werd half september opgeheven en meester Janszen verhuisde naar de van Riebeeckschool bij het Amstelstation. Daar kwam hij in de plaats van juffrouw Sophia de Jong die daar ontslagen was. Zij werd herbenoemd aan de Joodse Ulo in het gebouw van de Chr. de Wetschool aan de de Wetstraat. Bram Wurms zien we terug in het team van de joodse school nr 6, de voormalige Vrolikschool aan de Sparrenweg, in de Oosterparkbuurt, waar Betsy Sternfeld in november 1940 moest vertrekken. Haar zien we dan weer terug in het team van de joodse school nr 13, in het gebouw van de Daltonschool aan de Jan van Eyckstraat. Die Dalton-school werd niet opgeheven, maar kreeg ontdaan van 82 joodse leerlingen, met haar resterende 85 leerlingen onderdak bij de 1e Montessorischool in de Corellistraat, waar ook zo'n 63 joodse leerlingen niet meer welkom waren. Ook het hoofd van de Vrolikschool, Meijer Krefeld, zien we terug, als hoofd van Joodse school nr 8 aan de President Brandstraat in de Transvaalbuurt, in het gebouw van de President Brandschool, naast school nr 7, waar behalve meester Janszen, ook het hoofd, mevrouw Boots moest vertrekken, zij werd later benoemd aan de Watergraafsmeerschool in Betondorp. Van die President Brandschool gaat meester Tettelaar naar de Molukkenschool, waar hij de plek in neemt van Henriette den Hartogh, zij verhuist dan weer naar de Joodse Ulo, om de hoek in de Christiaan de Wetstraat.
Van de Vrolikschool die opgeheven wordt, gaat juffrouw Wildeman naar de Pieter Nieuwlandschool in Betondorp, zij komt in de plaats van meester Simon Gosselaar, die hoofd wordt van de Joodsche school nummer 5, die gevestigd wordt in het gebouw van de Camperschool, ook aan de Sparrenweg. Ook juffrouw Sipora Abram wordt aan die nieuwe school benoemd, ze komt van de Tjerk Hiddeschool op Wittenburg, haar vacante plaats wordt overgenomen door meester van Tilburg, die ook van de Vrolikschool komt. In de Oosterparkbuurt wordt ook 4e Montessorischool opgeheven, bij het gedwongen vertrek van 180 van haar 280 leerlingen. Montessori-juf Smits gaat naar de 7e Montessori in de Corantijnstraat in West, en komt daar op de plaats van Debora de Wilde; zij wordt benoemd in de 1e Joodse Montessorischool op het Willinkplein (Victorieplein). [enzovoort]
In totaal waren het ruim 100 joodse leerkrachten, die allemaal werden geplaatst, in tijdelijk dienstverband. De scholen zouden immers binnen afzienbare tijd over gaan naar de Joodsche Raad. De benoemingen gingen in vanaf donderdag 18 of 25 september, op de dag dat de nieuwe scholen startten en liepen, volgens de benoemingsbrieven, halverwege maart 1942 af. Ook gehuwde joodse onderwijzeressen, werden tegen de toen heersende opvattingen in, gewoon benoemd.
Op de dag dat die benoemingen ingingen, volgden ook de overplaatsingen van de niet-joodse leerkrachten die op die scholen werkzaam waren. Ruim 75 van hen kon meteen aan de slag op een andere (niet-joodse) school, zo'n 30 leerkrachten kwamen op wachtgeld, in afwachting van een vacante plaats; in sommige gevallen duurde dat wel tot na de volgende zomer, zoals voor mevrouw Boots. Zij moest op 18 september 1941 vertrekken van de Christiaan de Wetschool (omdat die de Joodse school nr 7 werd), pas augustus 1942 werd ze weer benoemd, nu als Hoofd der School aan de Watergraafsmeerschool in Betondorp.

images/docs/PER_SCHOOL_41-43__pdf.pdfscholen en leerkrachten

§ 10. scheiden
We gaan even terug : Seyss-Inquart had dan wel de aanwijzing tot scheiding van de joodse kinderen gegeven, maar dat was een geheim bevel, zoals duidelijk boven zijn brief van 8 augustus stond. De week daarop waren de schoolvakanties afgelopen en vanaf woensdag 13 augustus ging iedereen weer naar school. De joodse kinderen samen met hun niet-joodse klasgenoten, gewoon naar hun eigen school. Van scheiding, afzonderlijke scholen en joodse leerkrachten was nog niets bekend. Maar dat duurde maar kort, want de week daarop ontvingen de ouders van de joodse kinderen een brief van de burgemeester van Amsterdam:
‘Bij deze deel ik U mede, dat de Duitsche Overheid heeft bepaald dat joodsche kinderen met ingang van 1 September a.s. niet (langer) tot openbare en niet-joodsche bijzondere scholen mogen worden toegelaten en moeten worden te zamen gebracht in scholen voor joodsche kinderen bestemd, waar joodsche leerkrachten onderwijs geven.
Voor de toepassing van deze bepaling worden als jood aangemerkt zij, die volgens art.4 van verordening No. 189/1940 van den Rijks-commissaris betreffende het aangeven van ondernemingen (zie hieronder) joden zijn. Voor Amsterdam komt dit hierop neer, dat jood zijn allen, die in het bezit zijn van een bewijs van aanmelding, afgegeven door den Joodsche Raad voor Amsterdam.
Aangezien Uw kind volgens door mij verkregen inlichting jood(jodin) is in den zin van bovenbedoelde bepaling zal het niet (langer) tot de thans door hem(haar) bezochte school (niet tot de school, waarop het zou worden geplaatst) worden toegelaten.
Tenzij gij vóór 22 Augustus a.s. mondeling of schriftelijk aan het Centraal Bureau voor Inschrijvingen van leerlingen (Falckstraat 2) te kennen geeft hierop geen prijs te stellen (en dus op andere wijze in het onderwijs van Uw kind voorziet), zal het ingedeeld worden op een van gemeentewege te vormen school, voor joodsche kinderen bestemd. Het zal daarop zoo spoedig mogelijk worden geplaatst. Nader ontvangt gij een oproeping voor deze school.'
[SAA 5191 - 7430/3217 – Dit bericht werd omstreeks 19 augustus aan de ouders van leerlingen van openbare scholen gezonden en 11 september ook aan die op de bijzondere scholen.]
Niet veel later, op zaterdag 30 augustus staat het ook zwart op wit in de dagbladen, dat:
'het in den vervolge verboden zal zijn, dat leerlingen van Joodsche Bloede en zij, die als zoodanig worden beschouwd van niet-Joodsche personen onderwijs, in welke vorm ook ontvangen, ook wanneer dit onderwijs gegeven wordt in den vorm van club- of privaatles.
Leerkrachten, welke van Joodsche bloede zijn of als zodanig worden beschouwd, mogen slechts onderwijs geven aan Joodsche leerlingen en de daarmee gelijkgestelden.'
De scheiding werd meteen, maandag 1 september van kracht; dat was de gewoonte van de bezetter; om onrust te voorkomen werden de anti-Joodse maatregelen kort voor de invoeringsdatum bekend gemaakt. Maar dat pakte dit keer anders uit, de ouders van de joodse leerlingen waren immers al halverwege augustus ingelicht over deze isolatiemaatregel en de gemeente had op 22 augustus al toestemming gekregen voor uitstel tot 1 october. Leerlingen, leerkrachten en ouders verkeerden zodoende wekenlang in het ongewisse wanneer en waar die ‘van gemeentewege te vormen school, voor joodsche kinderen bestemd’ open zou gaan. In de brief en in het kranten-bericht stond bovendien duidelijk dat het verbod van kracht werd per 1 september en dat maakte de verwarring compleet.
De gemeentelijke afdeling Onderwijs had echter toestemming voor een eigen regie: de scholen met een overwegend joodse populatie bleven voorlopig ongemoeid. Dat waren uiteraard de scholen in de oude Jodenbuurt, maar ook in de Transvaalbuurt was de schoolbevolking voor meer dan driekwart joods. Daar bleven de deuren óók voor de joodse kinderen open staan. Anders lag het in het ‘derde joodse kwartier’ de Rivierenbuurt, hier werden de joodse leerlingen actief geweerd uit hun oude klassen, de schoolhoofden kregen half augustus per brief de opdracht :
'dat joodsche kinderen met ingang van 1 sept as niet langer tot openbare en niet-Joodsche scholen zullen worden toegelaten’ en verderop 'bereids zijn de ouders van de hier bedoelde leerlingen in kennis gesteld dat zij van 1 September as af niet (langer) tot uw school zullen worden toegelaten'
En zo begon de uittocht, maar van een afscheidsfeestje zoals dat meestal voor vertrekkende kinderen werd gegeven, was geen sprake. Ze kregen hooguit een hand, zoals schoolhoofd Kuperus van de 6e Montessori in de Niersstraat vertelt: ‘In groepjes hebben we de kinderen op de hoogte gesteld. Ik herinner me dat we in de gang liepen en dat ik stuk voor stuk afscheid genomen heb’ Die kinderen hadden dus even een paar weken extra vakantie. ‘Ik vond het wel leuk om vrij te zijn, terwijl veel niet-joodse vriendjes en vriendinnetjes wel al naar school moesten. ’ vertelt John Blom, (1930 – leerling van de Michiel de Klerkschool in de Jekerstraat). Maar die éxtra-vakantie, duurde maar kort, want half september had de afdeling onderwijs de klus geklaard; 12 september publiceerde de gemeente het besluit van de burgemeester, het was een voorlopig besluit tot
‘oprichting 24 openbare joodsche inrichtingen van onderwijs : 3 voor voorbereidend onderwijs; 16 voor gewoon lager onderwijs, waaronder 1 voor Montessori-onderwijs; 1 voor voortgezet lager; 1 voor uitgebreid lager; 1 voor buitengewoon lager onderwijs; 2 voor middelbaar en voorbereidend hooger onderwijs.’
Nauwelijks was de inkt van dit besluit droog of een aantal Amsterdamse schoolhoofden kreeg bericht
‘dat Uw school op 18 september a.s. zal worden verplaatst. Deze verplaatsing houdt verband met de vorming van joodsche scholen in deze Gemeente’ en verderop ‘Ik deel U voorts nog mede, dat Uw school van 18 September af zal worden aangemerkt als een joodsche school. De niet-joodsche leerkrachten blijven zoo noodig in functie, totdat het joodsch personeel voor Uw school zal zijn aangewezen.’
Gelijktijdig kregen de nieuw benoemde joodse schoolhoofden bericht dat ze konden beginnen. Donderdag 18 september wat het zover: de eerste gemeentelijke joodsche scholen openden hun deuren, dat was in de Transvaalbuurt. De ouders hadden in de week daarvoor het plaatsingsbericht voor hun kinderen gekregen en de leerkrachten hun aanstellingsbrief.
De gemeente sprak van een ‘wisseling van de joodsche en niet-joodsche leerlingen’ maar in de praktijk was het zo dat de meeste joodse leerlingen gewoon in hun school, in hun klas bleven en dat de niet-joodse leerlingen van de opgeheven scholen in de Transvaalbuurt, naar de Krugerschool en Oranje Vrijstaatschool verhuisden, die vanaf die datum gevestigd waren in het dubbele schoolgebouw achter de poort in de Laing’s Nekstraat. Het grootste effect van deze wisseling was dat een aantal van de joodse leerkrachten, weer terugkwam op hun oude school, zoals juffrouw Heintje Duizend, zelfs in haar eigen klas, waaruit ze nog geen jaar eerder had moeten vertrekken.
Het ging werkelijk allemaal verbazend snel; tussen de aanwijzing door Seyss-Inquart en de werkelijke start van de scholen zaten nog geen zes weken; ongekend voor een gemeentelijke procedure, maar we moeten niet vergeten dat de eerste voorbereidingen al halverwege april 1941 waren ingezet nadat Beauftragter Böhmcker, daartoe bij regeeringscommissaris Voûte had aangedrongen. [zie § 4]

notitie DE HERSCHIKKING

de herschikking
Het besluit van de burgemeester, tot oprichting van de joodse scholen was uiteraard gebaseerd op het rapport van 29 juli waarin de aantallen joodse leerlingen per wijk en per school waren verzameld. (zie § 5) Het tweede deel van dat rapport behelsde \'voorstellen tot hergroepering van de leerlingen, die de openbare school zullen blijven bezoeken\'. Daarin staan de scholen die opgeheven kunnen worden, vanwege het vertrek van de joodse leerlingen.
Deze scholen zien we vervolgens terug in de lijst van joodsche scholen zoals die begin oktober 1941 werd gepubliceerd. In totaal werden 17 openbare lagere scholen met in totaal 92 klassen opgeheven en werden er 16 joodse lagere scholen geopend, waarvan een voor Montessori-onderwijs verdeeld over drie vestigingen [bij het tweede besluit, van 21 november werd de Montessori-vestiging in de Boerhaavestraat verzelfstandigd]. Uiteindelijk waren er dus 17 nieuwe joodse lagere scholen voor de ruim 4.000 joodse kinderen, die in juli waren geteld
[zie voor een compleet overzicht van de scholen, het afzonderlijke artikel, nr 3, dat als bijlage bij deze verhandeling gezien kan worden]
Zowel Hondius, Mooijekind als Monkel vragen zich af waar de cijfermatige gegevens vandaan kwamen, waar die onderwijs-herschikking op gebaseerd werd.
Daarom even een resumé: er zijn verschillende tellingen van joodse leerlingen gedaan; de eerste in februari 1941 in opdracht van Böhmcker (zie § 5) die leverde het aantal van 5.415 joodse leerlingen op. Ik hou het er echter op dat de opgave van half juli, waarbij de schoolhoofden werd opgedragen een nominatieve opgaaf te doen, de gegevens leverde die bij in het rapport van 29 juli zijn gebruikt [een opgave van leerling-namen levert immers vanzelfsprekend óók het aantal leerlingen per school op].
Maar, in maart 1941 moesten alle joodse Amsterdammers zich registreren bij de Joodsche Raad. Deze registratiegegevens zijn verwerkt in het gemeentelijke bevolkingsregister en dat leverde in mei 1941 een keurige statistiek ; De Joodsche bevolking in de verschillende wijken der Gemeente.
Het is aannemelijk dat de ambtenaren van de afdeling onderwijs, inzage hadden in die registratie en daardoor uit de gemeentelijke leerlingenadministratie de persoonskaarten van de joodse leerlingen hebben kunnen afzonderen.
Uit een gespreksnotitie van september 1942 (NIOD 182-120) vanwege de overdracht aan de Joodsche Raad, begrijp ik dat er een gemeentelijke administratie van joodse leerlingen was en dat die door de gemeente was overgedragen aan het onderwijsbureau van de Joodsche Raad. In de inventarislijsten van het NIOD heb ik geen verwijzing naar zo\'n bestand gevonden. Ook navraag bij het Stadsarchief heeft niets opgeleverd.
Let wel, in de brief van half augustus waarin de maatregel aan de ouders wordt medegedeeld wordt duidelijk gerefereerd aan die inschrijving bij de Joodsche Raad:
Voor Amsterdam komt dit hierop neer, dat jood zijn allen, die in het bezit zijn van een bewijs van aanmelding, afgegeven door den Joodsche Raad voor Amsterdam.
Aangezien Uw kind volgens door mij verkregen inlichting jood(jodin) is in den zin van bovenbedoelde bepaling zal het niet (langer) tot de thans door hem(haar) bezochte school (niet tot de school, waarop het zou worden geplaatst) worden toegelaten.
Kortom de afdeling onderwijs kende de namen van de leerlingen en de te herschikken aantallen reeds voordat de schoolhoofden hun lijstjes inleverden, die dienden alleen ter verificatie.
Het probleem was al geïnventariseerd met die eerste opgave aan Böhmcker in februari. Bovendien was het de afdeling onderwijs ruimschoots bekend dat er joodse leerlingen op de Amsterdamse scholen zaten en dat er op een aantal scholen zelfs sprake was van een overwegend joodse populatie Er waren immers scholen met een sabbat-regeling: negen scholen waren des zaterdags gesloten en hadden een verlengde schooltijd op woensdag om het verlies van die zaterdaguren te compenseren.
Op de scholenlijst van voor 1940, staan alle zes scholen in de Jodenbuurt en drie van de zes in de Transvaalbuurt als zodanig aangeduid. Op die negen scholen tezamen zat ongeveer de helft van het aantal joodse leerlingen, zoals die in juli 1941 waren geteld. Eigenlijk best vanzelfsprekend dat Voûte eerste aanstuurde op concentratie op een beperkt aantal scholen.
A
§ 11. naar school, maar wie ?
De kinderen die samengebracht werden in de nieuwe scholen en niet meer toegelaten waren op hun oude scholen, stonden uiteraard allemaal op leerlingenlijsten die de afdeling Onderwijs aan de schoolhoofden verstrekte. Bij de samenstelling van die lijsten waren de gegevens gebruikt zoals die in het Amsterdamse Bevolkingsregister sinds de registratie in maart 1941, waren opgenomen. Het betrof dus kinderen die ‘in het bezit zijn van een bewijs van aanmelding, afgegeven door den Joodsche Raad te Amsterdam’, zoals dat ook in de brief aan de ouders stond.
De hoofden van de scholen waar de leerlingen moesten vertrekken, hadden echter in juli een ‘nominatieve opgaaf’ gedaan van hun joodse leerlingen, [zie § 5] en ervoeren nog al wat verschillen tussen de twee lijsten. In juli hadden ze uitsluitend de ‘vol-joodse’ leerlingen [drie of vier grootouders] moeten opgegeven, terwijl op de nieuwe lijst van de afdeling Onderwijs ook de namen stonden van de zogenaamde ‘halvies’; kinderen die het met minder Joodsche grootouders moesten doen en vaak helemaal niet als joods door het leven gingen.
Ongeveer 12,5% van de in Nederland wonende joodse bevolking, die volgens de maart-registratie zo’n 160-duizend mensen omvatte, behoorde niet tot de categorie vol-joden. Vergelijking van de aantallen van de beide leerlingenlijsten, die van 29 mei en die van 29 juli levert op dat op basis van de ‘jodenregistratie’ er in Amsterdam, ruim 5-duizend joodse lagere school leerlingen waren; de lijst van 29 mei geeft er zo’n duizend minder; [zie notitie leerlingenaantallen bij § 5] Als dat verschil is veroorzaakt door de ‘niet-vol-joden’, dan was hun aandeel onder de jeugd beduidend hoger dan die 12,5%
[en dat zou dan iets kunnen zeggen over de assimilatie-graad van de Amsterdamse joodse bevolking in de dertiger jaren].
De schoolhoofden waren er dan wel aan gehouden ‘dat joodsche kinderen met ingang van 1 Sept a.s. niet langer tot openbare en niet-Joodsche scholen zullen worden toegelaten’ maar onduidelijk was en bleef, hoe dat dan moest dat ‘niet toelaten’, met name als het kinderen waren die niet op hun eigen lijst van juli voorkwamen maar wel op die van de afdeling Onderwijs.
Gerrit Meents (1930) vertelt in 2006 :
De Christian de Wetschool werd gesloten bij het einde van 1941, toen de Joodse kinderen er niet meer konden komen. De niet-joodse kinderen van deze school waren over geplaatst naar de Oranje Vrijstaat school, in de Smitstraat. Ik ging in Augustus 1941 naar de school voor alleen Joodse kinderen in de President Brandstraat nummer 7 tot en met eind 1942, toen werd de school gesloten. Waarom ik werd toe gelaten weet ik niet. Mijn vader was Joods, mijn moeder niet, zo ik was zogenaamd half Joods volgens de Duitsers. Maar de meeste kinderen moesten daar naar toe, dus wilde ik ook daar naar toe. Ik zat in de derde klas bij een hele lieve onderwijzeres, juffrouw Duizend, ik ben nog met mijn moeder op visite geweest en heb er gegeten in 1942.
In 1942 moest ik toch naar de Oranje Vrijstaat school. Ik kwam toen in de vierde klas. Daar zaten nog 3 anderen zo genaamde half Joodse kinderen, en een Joodse jongen met heel blond haar en blauwe ogen. Hij had een Joodse moeder en een niet-Joodse vader maar was toch half Joods verklaart en hoefde niet een ster te dragen. Maar voor de Joodse wet was hij Joods.
Het ziet er niet naar uit dat de schoolhoofden actief hebben meegewerkt aan het uitsluiten van joodse leerlingen. Dat was zo op de openbare scholen, maar zeker in het bijzonder onderwijs was de medewerking ver te zoeken. En daar zat burgemeester Voûte duidelijk mee in zijn maag, het was is immers zijn taak toe te zien op de naleving van de orders van de 'Duitsche autoriteiten'.
Hij wendde zich tot de confessionele schoolbesturen, en gebood dat:
'Het bestuur van ……………. verklaart bij dezen, dat sedert 1 October j.l. geen leerlingen van joodschen bloede of leerlingen, die als zoodanig worden beschouwd, zijn school (scholen) bezoeken en dat het, zolang de in de Staatscourant van 29 en 30 Augustus 1941, No 168 bekend gemaakte opdracht van kracht is, zulke leerlingen niet zal toelaten'
Dat viel niet in goede aarde bij het bijzonder onderwijs; een storm van schriftelijke protesten komt Voûte tegemoet. Meer dan 90 schoolbesturen weigeren. Ondertussen is het al half oktober - de joodse kinderen zijn al een paar weken in hun nieuwe scholen aan de gang, maar niet de ‘gedoopte joodse kinderen’. De burgemeester legde de kwestie in een uitvoerig schrijven voor aan Secretaris-generaal van Dam en citeerde ruimschoots uit brieven van zowel hervormde en gereformeerde als van rooms katholieke huize. De strekking van de protesten : gedoopte joodse kinderen kunnen niet meer thuis horen in een gewoon joods milieu.
'Wij, genoemd bestuur, zijn van oordeel, dat het oogenblik is aangebroken, waarop van overheidswege in zake het joodsche vraagstuk welks bestaan wij erkennen, onderscheid gemaakt moet worden tusschen joden en gedoopte christenen van joodsche afstamming, en in verband daarmede tusschen joodsche kinderen en gedoopte christenkinderen van joodschen bloede.
In de verordening, waarop het verzoek tot weigering van joodsche kinderen door het bestuur betrekking heeft, geschiedt dat niet'

en verder op:
'Bovendien vragen wij ons af, in welke pijnlijke, immers joodsch-godsdienstige omgeving deze kinderen zouden terecht komen, aangezien de geestelijke distantie tusschen den Christusverwerpenden jood en den Christusbelijder van joodsche afstamming een distantie is van buitengewone afmeting'
Maar in de laatste alinea’s van zijn brief schreef de burgemeester, aan van Dam, dat het eigenlijk niet meer was dan een principe kwestie. Op het merendeel van de scholen waarvan de besturen bezwaar maken, zaten immers helemaal geen (gedoopte) joodse leerlingen. Maar toch, vond hij, moest hij dit probleem aan de Secretaris-generaal voorleggen omdat de gemeente niet in staat was de scholen tot naleven van de order te verplichten.
Ook bij openbare scholen, die wel onder zijn gezag vielen, stond hij machteloos tegen over schoolhoofden, die met de leerplicht wet in de hand, duidelijk maakten geen toegang te kunnen weigeren aan welke leerling dan ook.
Naar aanleiding van Voûte’s schrijven wendde SG van Dam zich tot de bezetter en vervolgens schreef hij Voûte terug :
’Alsdan verdient het aanbeveling de schoolbesturen wel ervan te doordringen dat de verantwoordelijkheid van het niet-verwijderen van Joodsche kinderen van de scholen, naar de Duitsche opvatting, wordt gelegd op de ouders of verzorgers.’
Door de kwestie nu bij de ouders te leggen, omzeilde de bezetter een confrontatie met de kerkelijke gezagsdragers in Nederland, werd de leerplichtwet gerespecteerd en waren meteen alle openbare schoolhoofden ontlast van een handhavingsprobleem. Voor de joodse ouders gold vanaf toen als verbod, dat het niet langer is toegestaan dat Joodsche kinderen onderwijs krijgen tezamen met Arische kinderen, dan wel door niet-joodse onderwijzers en onderwijzeressen.
In de weken daarna kozen de joodse ouders, ook die van de half-joodse leerlingen, veiligheidshalve toch maar voor de plaatsing op een van de joodse scholen; een van die nieuwe van de gemeente of een van de joodse bijzondere scholen in Amsterdam. Terwijl de afdeling Onderwijs bij twijfel, de ouders een verklaring liet ondertekenen, waarin stond dat hij/zij :
‘verklaart bij dezen, dat genoemd kind niet is, noch beschouwd kan worden te zijn van joodschen bloede in den zin van de door den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied gegeven opdracht, inzak het onderwijs aan leerlingen van joodschen bloede, bekend gemaakt door den Secretaris-Generaal van het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming in de Staatscourant van 29 en 30 Augustus 1941 No 168.’[SAA 5191:7479/4838]
En dat was dus weer volgens het criterium van tenminste drie joodsche grootouders. Onduidelijk blijft voor mij, wat de ouders van de niet-vol joodse leerlingen hebben besloten; uit het verhaaltje van Gerrit blijkt dat hij naar een van de twee Joodse scholen in de President Brandstraat ging en in de klas kwam bij juffrouw Duizend. Aannemelijk is dat de meeste ‘halvies’ hun schoolloopbaan hebben voortgezet op de school waar ze voor de zomer ook al zaten, of dat nou een gewone openbare was of dat die zo’n nieuwe joodse was geworden. Najaar 1942 werd de scheiding feller; toen de Joodsche Raad de scholen overnam, was daar alleen plaats voor vol joodse kinderen. De ‘kinderen zonder ster’ zoals de Raad ze betitelde, werden sindsdien geweerd uit het joodse onderwijs, zoals Gerrit vertelt. Maar nu loop ik nogal vooruit op mijn verhaal.


notitie REGISTRATIE

notitie
REGISTRATIE

Ik kom hier even terug op de registratie, zoals die bij verordening 6/1941 van 27 januari 1941. werd afgedwongen. Zowel de Jong (V p 529 e.v.) als Presser (I v.a. p 60) wijden er een aantal paginas aan. Meer recent is er een studie van Peter Tammes; algemeen wordt gesteld dat deze Jodenregistratie en de medewerking daaraan door ambtenaren en overheden, in belangrijke mate de latere deportaties mogelijk hebben gemaakt. De Jong kwalificeerde de registratie van joden als één van de noodlottigste anti-joodse maatregelen in Nederland; en Tammes concludeert dat de registratie van joden belangrijk was voor het aanbrengen van de J op identificatiepapieren, de invoering van de gele ster, het verstrekken van werkvergunningen en distributiekaarten en zelfs noodzakelijk voor razzias, internering en deportatie van joden. Ik voeg aan deze opsomming toe : én de isolatie van de joodse schoolkinderen in afgezonderde onderwijsinstellingen.
Daarom zet ik even de feiten tav deze registratie op een rij:
In de brief aan de ouders van half augustus 1941, staat Voor Amsterdam komt dit hierop neer, dat jood zijn allen, die in het bezit zijn van een bewijs van aanmelding, afgegeven door den Joodsche Raad voor Amsterdam.
De verplichting tot aanmelding werd bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant van 27 januari. Daarin stond het uitvoeringsbesluit betreffende verordening 6/1941 : Personen met één of meer joodse grootouders dienden voor 24 februari een aanmeldingsformulier te hebben ingevuld en ingeleverd.
In art 5 van de verordening stond, dat gerekend vanaf de inwerkingtreding (dwz veertien dagen na de afkondiging op 10 januari) de joden in Amsterdam 10 weken de tijd hadden om zich aan te melden, bij de burgemeester [dat was dus tot 7 april 1941].
Kinderen onder de leeftijd van 15 jaar moesten worden aangemeld via hun ouders, daar was ruimte voor gemaakt op de achterzijde van het aanmeldingsformulier.
De burgemeesters moesten deze formulieren naar de Rijksinspectie in den Haag sturen. Dat deed de gemeente Amsterdam op 2 mei 1941; er werden 85.516 registraties van in Amsterdam woonachtige joden ingestuurd.
[Het totale overzicht dat de Rijksinspectie op 1 oktober 1941 publiceerde omvatte 140.000 voljoden en ruim 20.000 kwart- en halfjoden, in geheel Nederland. Van de 1.050 Nederlandse gemeenten hadden er 483 aangegeven dat er geen personen van Joodsche bloede woonden]
De aanmelder kreeg, zo staat het in artikel 9 van de verordening, een bewijs van zijn aanmelding, in de vorm van een voor-bedrukte verklaring. Men diende het aanmeldingsbewijs bij zich te dragen.
Bij het JHM vond ik uiteindelijk een afbeelding van zon verklaring. Daaruit blijkt dat de aanmelding in Amsterdam, plaatsvond bij de Joodsche Raad, althans de afbeelding toont de afdruk van een stempel van de JR met een Davidsster, terwijl de gedrukte aanduiding ; de burgemeester is doorgehaald.
Dat bewijs van aanmelding, afgegeven door den Joodsche Raad voor Amsterdam, waar in de brief aan de ouders sprake van is, betreft dus volgens mij de verplichte registratie zoals die bij verordening 6/41 door de bezetter werd afgedwongen.
In Amsterdam vond deze registratie dus plaats op de burelen van de Joodsche Raad, Amstel 25; er waren daarvoor tien weken gegund; er moesten immers zon 80 duizend joden in persoon, langskomen.
Opvallend is dat de Joodsche Raad en de gemeentelijke Dienst Bevolkingsregister voor deze registratie nauw samen werkten. De formulieren werden door de Dienst aan de Joodsche Raad verstrekt, waarop de aanmeldingen werden geregistreerd, daarna kwamen de formulieren weer bij de dienst terecht en op 2 mei doorgezonden aan de instanties in den Haag. Ook werd door de Dienst Bevolking, met de verzamelde gegevens de Jodenstatistiek en stippenkaart geproduceerd.
In juli 1941 krijgt de Joodsche Raad voor Amsterdam van de Beauftragter Böhmcker opdracht een statistiek samen te stellen van de Joden in Nederland. Het bureau van de Raad vraagt het Centraal Bevolkingsregister in den Haag gegevens voor deze statistiek te leveren, geordend naar woonplaats, geloof, beroep, leeftijd en geslacht. De statistiek is nodig voor het door de bezetter opgerichte bureau voor emigratie De gegevens van de Amsterdamse joden zijn al beschikbaar, nu gaat het om die van joden buiten Amsterdam. [NIOD 182-26-0090, brief aan CBR 22 juli 1941] Maar zon statistiek is blijkbaar niet voldoende, want half oktober krijgt de Joodsche Raad, opdracht uit gegevens van het Centrale Bevolkingsregister een kartotheek samen te stellen omtrent alle Joden ten behoeve van de Zentralstelle [für Jüdische Auswanderung]. En blijkbaar is dat nog niet voldoende, want nog geen maand later wordt de opdracht uitgebreid, met het vervaardigen van een kartotheek van alle Joodsche woningen in Amsterdam [NIOD 182-03/0023 en 0027, verslagen Joodsche Raad].
bronnen
Het aanmeldingsformulier zit in de mappen van de JR bij het NIOD onder nr 182-262-0004. Maar is ook samen met het bewijs van aanmelding opgenomen in de collectie van het JHM.
Zie ook Roest en Scheren p 345 e.v.
Peter Tammes studie \'het belang van de Jodenregistratie tijdens de tweede wereldoorlog (Universiteit Leiden) ( Tijdschrift Sociale Geschiedenis 2009 nr 2, met name van af blz 50)
A

notitie HALF-JODEN

even het geheugen op frissen :
De omschrijving die de afdeling Onderwijs in juli in de brief aan de schoolhoofden bezigde was afgeleid van de tekst in verordening 189/1940, van najaar 1940. Daar werd voor het eerst het joodzijn gedefinieerd en vervolgens toegepast bij de aangifte van joodse ondernemingen en bij de niet-jood verklaring voor overheidspersoneel.
Jood is een ieder, die uit ten minste drie naar ras voljoodsche grootouders stamt.
Als jood wordt ook aangemerkt hij die uit twee voljoodsche grootouders stamt en
- hetzij zelf op den negenden Mei 1940 tot de joodsch-kerkelijke gemeente heeft behoord of na die datum daarin wordt opgenomen,
- hetzij op den negenden Mei 1940 met een jood was gehuwd of na dat oogenblik met een jood in het huwelijk treedt.
Een grootouder wordt als voljoodsch aangemerkt, wanneer deze tot de joodsch-kerkelijke gemeente heeft behoord.
Het criterium van tenminste drie grootouders leidde er toe dat een aanzienlijke groep joden zich niet aangesproken voelde; ze hadden immers géén vier - of zelfs maar drie, joodse grootouders en voelden zich ook allang niet meer verbonden met de joodse geloofsgemeenschap.
De bezetter begreep dat er nogal wat Amsterdammers die wel door het leven gingen als jood, niet als zodanig werd aangemerkt of uitgesloten, vandaar dat in verordening 6/1941 mbt de verplichte registratie in januari 1941 een wijdere omschrijving werd gelanceerd. Anders dan de eerdere verordening, ging het nu om geheel of gedeeltelijk van joodsche bloede en om tenminste één grootouder.
Het werkte als een soort sleepnet over de bodem van de zee, het effect was dat bij de registratie uiteindelijk naast ruim 140-duizend vol joden, ook nog eens zon 20-duizend half en kwart joden door de bezetter werden binnen gehengeld.

Nota bene : de bezetter hanteerde een definitie van het joodzijn die aanmerkelijk afweek van de regel die de Halacha, de rabbijnse regelgeving voorschrijft : \'Een ieder die uit een Joodse moeder is geboren of als volwassene tot het het Jodendom is toegetreden wordt beschouwd als een Jood,\'

[Presser ; dl I p 71]
A
§ 12. de Joodsche school

image.jpeg

click op foto
Dit is de vijfde klas van de Christiaan de Wetschool, in de President Brandstraat, waar mijn vader voor de klas stond, tot begin october 1941; [zie art I, een kleine heldendaad] vanaf 18 september was het de Joodsche school nummer 7. Als je goed kijkt [click op foto] zie je dat er zo’n vijf, zes kinderen van de 44, niet joods is; die moesten dus allemaal weg, net als mijn vader. Die kinderen werden geplaatst op een andere school in de Transvaalbuurt, en daarvoor in de plaats kwamen er evenveel (of zelfs nog meer) nieuwe kinderen bij, joodse kinderen van andere scholen, zoals Rudi Voet en Liesje Mouw, van de Watergraafsmeerschool in Betondorp; elke dag liepen ze de hele Middenweg af om op die joodse school te komen.
Zo ging het op al die scholen, die vier in de Jodenbuurt en de Plantage en die drie in de Transvaalbuurt, ze werden allemaal verjoodst, met aanwas van kinderen van elders.
Anders was het in Zuid, waar leerlingen van nogal wat scholen, zelfs van uit de Pijp, werden samengebracht op drie nieuwe joodse scholen die in de Rivierenbuurt werden gesticht. Ook daar moesten nogal wat leerlingen dus een flinke tippel maken om naar school en weer thuis te komen.
John Blom (1930) : ‘De niet-joodse kinderen waren na de zomer al weer een tijdje aan hun schooljaar begonnen, voordat ook ik weer naar school mocht. Ik vond het wel leuk om vrij te zijn, terwijl veel niet-joodse vriendjes en vriendinnetjes wel al naar school moesten. Maar ook wel heel gek, want diezelfde vriendjes en vriendinnetjes kwamen steeds verder van mij af te staan. We raakten gescheiden van elkaar. In de loop van september werd ik met vele andere joodse kinderen geplaatst op de nieuwe joodse school in de Jekerstraat.’
Bij de Montessorischolen ging het ook zo, de ‘leveranciers’ van die joodse Montessori-kinderen waren immers de acht Montessorischolen die verspreid lagen over de stad.
De nieuwe joodse vestiging op het Willinkplein [Victorieplein] trok kinderen die zelfs helemaal in West woonden, afkomstig van de 2e Montessori in de Hasebroekstraat; en de 3e aan het Hygiëaplein.
Bertie van Gelder (1933) ‘In september 1941 gingen mijn oudere zus en ik naar de Joodse Montessorischool op het Daniël Willinkplein. Ik zat bij meester Abraham Mok in de 3e klas. Mijn zus zat twee klassen hoger. Het was een hele tippel, helemaal vanaf de Amstelveenseweg waar wij woonden, naar het Willinkplein bij de Wolkenkrabber, wel een stief uurtje heen en terug. Eerst hadden we nog een autoped met luchtbanden, die we van niet-joodse kinderen hadden gekregen; we gebruikten die om de beurt, maar al gauw mocht dat ook al niet meer van de bezetter.’
Ook in West werd een joodse school geopend, in de Cliffordstraat. Uit alle wijken in dat deel van de stad, waar bijna geen joden woonden, kwamen bij elkaar slechts 56 kinderen. Ik denk dat er nog al wat thuis werden gehouden, zoals Anna van der Kar, die met haar ouders aan de Aalsmeerweg woonde, voorbij het Hoofddorpplein. Ze was net zes geworden in october, maar om haar helemaal naar de Cliffordstraat te laten gaan, dat hebben haar ouders waarschijnlijk geen moment overwogen.
En in Noord kwamen kinderen zelfs uit Tuindorp Oostzaan naar de nieuwe joodse school nr 15, die toen aan de Floraweg gevestigd werd, zoals Carla en Hendrika Gobitz. Ze moesten vanuit het tuindorp om het Zijkanaal heen, helemaal de lange dijk af. In het begin lukte het ze nog om naar school te komen. Ze hadden van het onderwijsbureau een buskaart gekregen, een ‘ochtendkaart’ en een ‘middagkaart’. Tussen de middag bleven ze dan op school, dat was toen heel ongebruikelijk. Later had juf de Haas de pauzetijd zelfs aangepast, zodat ze nog voor het donker thuis konden zijn.
Maar uiteindelijk toen joden niet meer met tram en bus mochten en ook geen fietsen meer mochten bezitten werd dat door de afstand van wel een uurtje lopen zo goed als onmogelijk.
Voor al die kinderen zal het een vreemde gewaarwording zijn geweest. Van de ene dag op de andere werden ze apart gezet; gescheiden van hun vriendinnetje en vriendjes die even plotseling ‘niet-joods’ werden, als zij zelf ‘joods’. Nu zaten ze met alléén joodse kinderen en met een joodse meester of juf; de naam van de school verdween van de voordeur en ze waren bovendien op zaterdag vrij, vanwege de sabbat die ze thuis allang niet meer heiligden.
En zo werden ouders en kinderen door de bezetter terug gedrongen in een identiteit die voor veel van hen niet wezenlijk speelde, zeker niet in Zuid. Er was daar dan wel in 1937 een nieuwe synagoge gebouwd in de Lekstraat, maar anders dan in de joodse buurten ten oosten van de Amstel werd het joodszijn in hier nauwelijks actief beleefd; men was ook niet zionistisch maar Amsterdammer onder de Amsterdammers en de kinderen deden op school gewoon mee met het Sinterklaasfeest en de Kerstviering, naast de viering thuis, van Rosj Hasjana, het joodse nieuwjaar en Chanoekah.
Alleen op de vier joodse bijzondere scholen lag dat anders, maar de meeste joodse Amsterdammers (zo’n 80%) hadden duidelijk voor het openbare, lees niet-religieus georiënteerde onderwijs gekozen voor hun kinderen.

Naast de nieuwe ‘openbare’ joodse lagere scholen, waren er in Amsterdam al jaren, een viertal confessionele joodse lagere scholen. Daar speelde de verjoodsing dus geen rol, en ook in de schoolpopulatie wijzigde niet veel, behalve dan dat er sprake was van een opmerkelijke stijging, van ruim 160 leerlingen op een totaal van 1.000 het jaar daarvoor. Toen alle scholen onder de Joodsche Raad kwamen te vallen –in het volgende schooljaar, werden er afspraken gemaakt dat de scholen niet onder elkaars duiven mochten schieten, maar dat gezag had de gemeentelijke afdeling Onderwijs in 1941 niet over het bijzonder onderwijs, Wellicht vond men het op het stadhuis ook niet zo’n punt; die openbare joodse scholen waren immers de eerste maanden overvol.
En dan was er ook nog een bijzondere school op neutrale grondslag; de Wilhemina Catherina school van de Theosofische Schoolvereniging voor Opvoeding en Onderwijs aan de Weteringschans, waar nogal wat joodse kinderen op zaten. Ook over die school had de gemeente geen gezag, maar uiteraard gold het bevel van de bezetter ook daar; van de plm 175 leerlingen moesten er meer dan de helft vertrekken vanwege hun joodszijn.
Het schoolbestuur koos een eigen weg: de kinderen werden niet weggestuurd, maar de school werd ook niet verjoodst; men opende een joodsche afdeling, met een eigen voordeur aan de achterkant van het schoolgebouw.
[zie voor een overzicht per school en buurt, artikel 3, dat als bijlage van dit artikel dient]
Naast dit gewone lager onderwijs, in al zijn facetten, kende men in die tijd ook nog de woensdagmiddag-schooltjes, waar de joodse kennis van het kind werd versterkt, zoals de godsdienstschool van de Ned. Isr. Gemeente aan het Hygiëaplein, in een circulaire in augustus 1941 schreef :
‘Door jonge leerkrachten, met frisse, moderne methoden, wordt er naar gestreefd deze basis in enkele uren per week zoo breed mogelijk te doen zijn. De leerstof wordt daarom zoveel omvattend mogelijk gemaakt. Ze behelst o.m. de geheel geschiedenis van het Joodsche volk, bespreking van de meest bekende Joodsche tradities en gebruiken, van de betekenis van de bijzondere dagen in het Joodsche jaar, inzicht in de Hebreeuwse taal, behandeling van de belangrijkste, met zorg uitgekozen stukken uit de Bijbel, de liturgie, enz. [....] Het is, zeker thans, geheel onnodig er op te wijzen, welk een groot belang Joodsche kennis voor onze jeugd heeft.’

Voor iedereen is het ‘even’ wennen aan de nieuwe situatie, niet meer samen naar school, een andere juf of meester die zomaar zonder werkelijke aanleiding gedwongen wordt op de nieuwe situatie in te spelen
Het moet natuurlijk vreemd zijn geweest maar ook een uitdaging om als onderwijzer voor de klas te staan met alléén maar joodse kinderen. Elke dag bij het lezen van de absentielijst realiseer je je dat het misschien wel de laatste keer is, voor dit kind of dat andere; dat het morgen weggehaald kan zijn, of overmorgen, volgende week, en toch ga je door met lesgeven, je maakt het natuurlijk gezellig in de klas, maar ook geef je overhoringen, geef je cijfers en zelfs strafwerk alsof er nog een wereld te gaan is. Je doet je best samenhang te brengen in die vreemde bij elkaar geraapte kindergroep, waar naar het lijkt de enige overeenkomst het joodszijn is.
De eerste maanden is er niets aan de hand, lijkt het wel, maar dan wordt het voorjaar; van buiten Amsterdam komen nieuwe leerlingen op de scholen, kinderen die samen met hun ouders naar Amsterdam moesten verhuizen. En hoewel er ondertussen al kinderen verdwenen zijn, raken de klassen nog voller dan ze al waren. Het wordt allemaal een stuk moeilijker als ze niet meer met tram of bus mogen en zelfs het bezit van een fiets of een autoped verboden wordt. De sfeer wordt minder vriendelijk, het joodse leven buiten de schooldeur wordt dag op dag grimmiger, met verboden voor parken, speeltuinen, bioscopen, zwembaden en zelfs winkels.
De bezetter gaat ondertussen stug door de scholen te 'verjoodsen'; er komt een joodse schoolarts en schoolzuster; in april 1942 worden dr. I.K. Kantoriwicz en zuster Cohen aangesteld en zelfs de schoolschoonmaaksters moeten van joodschen bloede zijn.
John Blom (1930) In die beroerde tijd was de school voor ons, kinderen, een plek waar wij ons nog veilig voelden. Een plaats waar we ons konden ontspannen en waar we nog in harmonie met elkaar, konden omgaan; ook met de volwassenen. Er ontstond een vriendschappelijke verhouding met onze meester, meester Izaak Pinto, terwijl hij toch het gezag bleef houden over ons. Het opdoen van kennis raakte op de achtergrond en ik herinner me dat we intensief bezig zijn geweest met het instuderen van een revue. We leefden op school op een eilandje van wederzijdse vriendschap en liefde voor elkaar. Op school hadden we vrijaf van de oorlog. Maar ook weer niet helemaal, want het wegvallen van een vriendje of vriendinnetje was voor ons erg verdrietig, maar dat werd herkend en erkend. Heel dramatisch voor ons allen was het als een kind van school door zijn ouders opgehaald werd, om dan samen afgevoerd te worden naar de schouwburg of verder’.

image.jpeg

click op foto

Ondertussen is het mei 1942, de ster is ingevoerd maar nog bijna iedereen is op school aanwezig, de traditionele klassenfoto's worden gemaakt - met de Davidsster op de kleding (later weten we nauwkeurig te duiden wanneer de teruggevonden klassenfoto is gemaakt: voor 2 mei 1942 of later).
En dan dringt de buitenwereld keihard door in het klaslokaal. Eind juni maakt de Zentralstelle fur Judische Auswanderung bekend dat binnenkort begonnen wordt met tewerkstelling van Joodsche mannen en vrouwen uit Nederland in werkkampen in Duitsland. Deelname is niet langer vrijwillig, en bij het niet verschijnen op een oproeping zal worden overgegaan tot Erfassung.
Enkele weken later zijn er de eerste transporten, meteen al vallen er gaten in de onderwijsteams. Meester Bannet, hoofd van de school in de van Eyckstraat wordt afgevoerd en juffrouw Heintje Duizend, van school 7 en Maurits Buijs van school 6 en juf Keetje Frankfort van school 11. Ook verdwijnen er al kinderen uit de klassen; er wordt gefluisterd over onderduiken. Langzaam aan wordt het zorgelijk en bedreigend en onherroepelijk.
De Onderwijscommissie van de Joodsche Raad noteert in het vergaderverslag van 31 juli 1942:

‘Als gevolg van de uitzending zijn er uiteraard ook tal van problemen gerezen ten aanzien van het onderwijs. Veel kinderen zullen na de vacantie niet meer op school terugkomen, zoodat er overcompleet personeel zal komen.’
en op 21 augustus
‘Eenige cijfers worden vermeld van aantallen leerlingen, die na de vacantie (zomer 1942) niet meer op school zijn teruggekeerd. De percentages loopen van 7% tot 20% (per school). De indruk is wel, dat voornamelijk de minder goed gesitueerde groep naar Duitsland is vertrokken.’
Het enige wat de Onderwijscommissie toen kon doen, is het aanstellen van ‘onderzoekende onderwijzers’ om het contact tussen thuis en school te onderhouden, het komt immers maar al te vaak voor dat de ouders worden opgepakt terwijl de kinderen op school zitten.
John Blom (1930) : Echt heel ernstig en zeer bedreigend werd het vanaf juni 1942 toen de Zwarte Politie begon met het ophalen. De sfeer op straat werd beangstigend en de sfeer thuis erg bedrukt. Je leefde met de vraag: wanneer komen ze bij ons aanbellen ? Vanuit die sfeer kwamen we vaak s' ochtends in de klas bij elkaar. Geleidelijk aan werd de klas kleiner ; vriendjes en vriendinnetjes verdwenen van de ene dag op de andere: eerst Sara, daarna Loekie, vervolgens Hans, dan Greetje en Bora, en vele anderen. En dit overkwam uiteraard alle klassen. Begin 1943 werden de klassen zo klein dat vier, vijf en zes werden samengevoegd. Het proces van uitdunnen ging onverminderd door, totdat ik zelf in juni 1943 aan de beurt was, maar toen was er van de hele school nog maar bar weinig over.

notitie DE CIJFERS
cijfers

De gemeentelijke herschikking van het onderwijs betekende voor het Amsterdamse openbaar lager onderwijs het volgende in cijfers:
Er moesten 1.615 niet-joodse en 2.210 joodse leerlingen van school veranderen.
15 openbare scholen werden gesloten en 3 scholen - met de Arische leerlingen, verplaatst naar een ander gebouw, de Vondelschool, de Daltonschool en de 4e Montessori in de 2e Boerhaavestraat.
Dat gebeurde allemaal in de dagen vanaf donderdag 18 september; de donderdag daarop, 25 september draaien alle scholen weer, die voor de niet-joodse kinderen en die voor joodse kinderen.
Het betrof per december 1941 4.004 joodse kinderen (1.992 j. en 2.012 m.) die school gingen op 17 lagere joodse scholen.
Van deze scholen waren 2 speciaal voor Montessorionderwijs, gevestigd op 3 locaties, met 349 leerlingen (155 j en 194 m).

Die 4.004 leerlingen waren verdeeld over 102 klassen (waarvan 9 Montessoriklassen) met 17 hoofden (m 13 en v 4) en 85 leerkrachten (28 m en 57 v) plus 20 vakleerkrachten (gymnastiek/handwerken/etc), in dat eerste jaar.
Per klas waren er gemiddeld zon 40 kinderen (bij de gewone openbare scholen was dat maximaal 37 per klas).

Zon 700 van deze kinderen kwam dat schooljaar, als eersteklasser, voor het eerst naar school.

Naast die openbare scholen, was er ook het joods bijzonder onderwijs dat het schooljaar begon met 1.292 leerlingen; zon 200 van deze leerlingen was dat jaar overgestapt van een openbare school

Alles bij elkaar waren er dus 5.296 kinderen, die dat jaar naar joodse lagere scholen in Amsterdam gingen.

In 1941 waren er ongeveer 80.000 leerlingen in het Amsterdamse lager onderwijs (openbaar en bijzonder beide plm 40-duizend); die 5.296 joodse leerlingen vormden dus slechts zon 6% daarvan, maar die 4-duizend in het openbare onderwijs, vormden daar 10% van.

bronnen: Gemeentelijk jaarverslag 1941 en HNA 214.37/00386 (openbare scholen) en SAA 5191-10560 (bijzondere scholen)


a

notitie HINDERNISSEN EN SPERRE

notitie
hindernissen en sperre
De isolatie van de joodse schoolkinderen en hun leerkrachten ging in toenemende mate gepaard met tal van (andere) beperkende maatregelen. Wat de grootste hindernis gaf, was het verbod op het bezit van rijwielen en daarna de uitsluiting uit het openbaar vervoer. Vanaf toen moest er worden gelopen en dat was vaak een hele tippel, helemaal vanaf de Amstelveenseweg waar wij woonden, naar het Willinkplein bij de Wolkenkrabber, wel een stief uurtje heen en terug zoals Bertie van Gelder [toen 9 jaar oud] schreef. Ja, er werd wat afgelopen in die tijd, hele einden, maar dat was ook vóór die bezettingsjaren meer regel dan uitzondering; je pakte sneller de benenwagen dan de tram.
Maar vooral voor de leerkrachten die buiten de stad woonden was het eigenlijk niet meer te doen, toen het reizen per trein en bus verboden was. Zoals voor schoolhoofd Simon Gosselaar van Joodsche school nr 5; hij woonde in Huizen en kwam dagelijks met de bus naar zijn school aan de Sparrenweg; door het reisverbod was hem dat niet meer gegund. Hij kreeg weliswaar tijdelijke ontheffingen, maar die kon de bezetter van de ene op de andere dag even hard ongeldig verklaren, met alle risicos van dien.
Ondertussen was de emigratie opgang gekomen; vanaf september 1941 kon je opgeroepen worden en op transport gesteld naar werkverruimende kampen. Dat bedreigde ook de onderwijzersgezinnen, waarop de gemeentelijke afdeling onderwijs begon met het afgeven van bescheiningungen: ingeval van oproeping voor één der Nederlandse werkkampen. Deze verklaring kan dan aan de autoriteiten worden overhandigd. Zo konden de joodse leerkrachten in ieder geval bewijzen dat ze in Amsterdam voor de klas stonden. Het schijnt dat zon bescheiningung in dat eerste jaar heeft geholpen. Maar tegen de zomer van 1942 toen de regelmatige deportaties van start waren gegaan, is toch ook een aantal leerkrachten in het Amsterdamse onderwijs bijna meteen en zonder melding verdwenen, zoals Samuel Bannet, die hoofd was op school 13, Sara Liboerkin van school 8, Keetje Frankfort van school 11 en Lea Polk-Frank die op een paar joodse scholen handwerkles gaf.
De chef van het nieuwe onderwijsbureau van de Joodsche Raad Isaac van der Velde werd er radeloos van en schreef halverwege september 1942 aan de heer Doktor Edwin Sluzker, van de Expositur, het bureau van de Joodsche Raad dat de auswanderung begeleidde:
Het aantal naar Duitsland gevoerde docenten van de verschillende takken van onderwijs is thans reeds zo groot, dat er hier en daar reeds moeilijkheden ontstaan. Er kan nl. niet zeer in alle opengevallen plaatsen worden voorzien. Ik zou U daarom dringend willen verzoeken, te trachten, voor het onderwijzend personeel bescherming te verkrijgen, bv. door een stempel van de Duitse autoriteiten op de legitimatie- of persoonsbewijzen. Uitzonderingsbepalingen voor docenten zijn dringend noodzakelijk
[NIOD 182-113/370]
Het joodse onderwijs bureau haastte zich vervolgens, uiteraard in overleg met de bezetter alle leerkrachten in Amsterdam en elders in het land een legitimatiebewijs te bezorgen, dat ingeval van oproeping voor één der Nederlandse werkkampen...aan de autoriteiten (kan) worden overhandigd.. Bij het verstrekken van dit nieuwe document dienden alle eerder uitgereikte documenten, verklaringen en vrijstellingen te worden ingeleverd, een taak die aan de schoolhoofden werd opgedragen.
Dat gebeurde halverwege september 1942, maar meteen daarna werd dit document weer vervangen door een Sperre: Inhaber dieses Ausweises ist bis auf Weiteres vom Arbeitseinsatz freigestelt. Dat was een stempel die in het persoonsbewijs werd gezet door de Zentralstelle fur Judische Auswanderung. De bezetter bepaalde het aantal Sperre dat mocht worden afgegeven en de Joodsche Raad leverde de namen. Dat gold dan voor personen die als onmisbaar werden aangemerkt en vanzelfsprekend was het onderwijspersoneel een van de categorieën, naast (ander) personeel van de Joodsche Raad. In totaal zijn er zo wel 17.500 Sperre via de Joodsche Raad toegekend. Voor de leerkrachten leverde de gemeentelijke afdeling onderwijs de namen; op de eerste lijst van 25 september staan er zon 300; ruim 170 daarvan is werkzaam in het Joods lager onderwijs als onderwijzer(es) en vakleerkracht. Het is niet na te gaan of zij allemaal de begeerde stempel in het persoonsbewijs hebben weten te bemachtigen.
En dan komen de grote razzias; met die van 23 mei 1943 werden zon 8000 gestempelden afgevoerd, waaronder nog al wat onderwijskrachten op de scholen in de oude Joodenbuurt.
Het onderwijs ligt dan tot eind mei plat en wordt vervolgens in die buurten definitief gesloten, bij gebrek aan juffen en meesters.
Tja - of je nu per trein en bus reisde of met de benenwagen, met een sperre-stempel of een ander uitzonderingsdocument, uiteindelijk werd je toch gewoon gepakt, afgevoerd en meestal meteen daarna gedood. Maar ook mag worden geconstateerd dat nogal wat onderwijskrachten weer opdoken in mei 1945 en al snel weer voor de klas stonden. Dat was zon 45% van de hele lijst van 170 toen in het joods lager onderwijs werkzame personen; best wel een opmerkelijke score, lijkt me.
A
§ 13. het onderwijsbureau
Het hele eerste schooljaar stonden de nieuwe joodse scholen in Amsterdam, onder het beheer van de gemeentelijke afdeling Onderwijs, met wethouder Smit en zijn afdelingsdirecteur Hendriks. Alhoewel de bezetter en Secretaris-generaal van Dam dan wel van ‘ongesubsidieerd bijzonder onderwijs’ spraken, waren het dus gewoon openbare scholen. Het was echter wel de bedoeling óók het onderwijs aan joodse kinderen volledig buiten de Nederlandse maatschappij te plaatsen en de scholen onder het beheer te stellen van een ‘jüdischen Rat’. Maar dat had nog heel wat voeten in de aarde; wel was er meteen van af het begin bemoeienis van uit de Joodse gemeenschap, voorlopig uitsluitend voor advies, zoals het in het Joodsche Weekblad, editie 5 september 1941, stond :
De Joodsche Raad en de Coördinatie-Commissie deelen mede, dat, met het oog op het verbod voor Joodsche kinderen om na 1 September niet-Joodsche scholen te bezoeken, door beide lichamen is ingesteld een Centrale Commissie voor het Joodsche Onderwijs, die voorloopig gevestigd zal zijn Amstel 25, Amsterdam. Deze Commissie is bereid van raad en advies te dienen in alle zaken, het onderwijs aan Joodsche kinderen betreffend.
Maar we gaan weer even terug :
Vrij snel nadat in november 1940 de eerste anti-joodse waren uitgevaardigd, werd de Joodsche Coördinatie Commissie (JCC) opgericht door het Nederlandsch-Israëlitisch kerkgenootschap en het Portugeesch-Israëlitische Kerkgenootschap samen met de Nederlandse Zionistenbond. Het was een informeel orgaan voor onderling overleg, weliswaar gevestigd in den Haag, maar men meed het directe contact met de bezetter; het was meer gericht op bijstand aan de joodse gemeenschap, dan op invloed bij het Duitse gezag.
[voorzitter van deze commissie was de gezaghebbende, voormalige president van de Hoge Raad, mr Lodewijk Ernst Visser : 1872-1942; een van de lelijkste pleinen in Amsterdam is naar hem vernoemd, dat kan beter]
Een paar maanden later (12/13 februari 1941) werd op last van de bezetter, de Joodsche Raad voor Amsterdam ingesteld, als centraal platform voor alle joodse zaken, maar vooral als doorgeefluik naar de joods bevolking van Amsterdam.
Reichskommissar Seyss-Inquart had waarschijnlijk het voornemen, verspreid over Nederland meerdere joodse raden in te stellen, en zelfs een afzonderlijke ‘judenrat’ voor het joodse onderwijs. Het was joden inmiddels verboden elke vorm van vereniging of stichting overeind te houden; ik denk dat de bezetter daarop en daarom het begrip ‘Raad’ introduceerden. [zie oa NIOD 182-269/0037]
Al snel vormde die Coördinatie Commissie een Adviescommissie voor het Onderwijs; de joodse leerkrachten waren in november 1940 uit het onderwijs gestoten en het leek aannemelijk dat de joodse leerlingen hetzelfde lot zouden treffen. Deze onderwijscommissie kwam al snel met een rapport, als een blauwdruk voor eventueel zelfstandig joods onderwijs, maar daarna werd het stil; men wachtte de komende maatregelen af.
Het werd juli 1941; de schoolhoofden hadden opdracht gekregen de joodse leerlingen aan te geven en de voorzitter van de Joodsche Raad was door de Beauftragter voor Amsterdam ingelicht dat de joodse kinderen na de vakantie geweerd zouden gaan worden uit het openbare onderwijs. De joodse gemeenschap stond al snel bol van het gerucht dat de kinderen van de scholen verwijderd zullen gaan wordenen de ouders vreesden dat hun kinderen na de vakantie van onderwijs verstoken zouden blijven. En zo ontstond er een toeloop op de vier bijzondere joodse scholen in Amsterdam en dreigden er bovendien allerlei particuliere schooltjes te ontstaan. De Joodsche Raad raakte daarop doordrongen van de ernst van de situatie voor al die ouders en hun kinderen en trok die onderwijscommissie van de Joodse Coördinatie Commissie naar zich toe. Meteen na de vakantie, de scholen waren, nog wel met de joodse leerlingen gewoon in hun oude klassen begonnen, plaatste de Raad een mededeling in het Joodsche Weekblad van 22 augustus, dat
Zij, die inlichtingen wenschen betreffende plannen voor de oprichting van scholen voor Joodsche kinderen te Amsterdam (voor lager, middelbaar, voorbereidend hooger en ander onderwijs) , kunnen zich vervoegen bij het bureau van den Joodschen Raad voor Amsterdam, Amstel 25. Voor plaatsen buiten Amsterdam wende men zich tot bovengenoemd bureau of tot het bureau van de Coördinatie-Commissie, Bezuidenhout 215,'s-Gravenhage, etc
Ondertussen had de bezetter goedkeuring verleend die Haagse Onderwijsadvies Commissie om te vormen tot de Centrale Commissie voor het Joodse Onderwijs (CCJO). David Cohen, een van de twee voorzitters van de Joodsche Raad, werd voorzitter van die commissie; hij benoemde er ‘vakmensen’ in zoals I. van der Velde (vrm. onderwijsinspecteur in Groningen), W.S. Elte (vrm. leraar hbs Zaandam), J. Hartog (vrm. hoofd van een Amsterdamse lagere school) en A. Bartels (vrm. leraar Haags lyceum). Daarmee nam hij duidelijk afstand van die Haagse commissie, waarin het rabbinaat van beide kerkgenootschappen de boventoon voerde.
Alhoewel die Centrale Onderwijscommissie functioneerde als een afdeling van de Joodsche Raad voor Amsterdam, kreeg het vanuit de bezetter en het Departement van Opvoeding wel een landelijke (‘centrale’) taak. De bezetter had dan wel gesteld : ‘Es ist beabsichtigt, die Unterhaltung und die Aufsicht der Juden-schulen einem zu gründenden jüdischen Rat zu überlassen’ maar dat ging niet zo snel; voorlopig waren het de lokale overheden die het onderwijs aan de joodse kinderen moesten gaan verzorgen. Voor de Centrale Commissie zat er niet meer in dan inventariseren en adviseren.
Het is niet aannemelijk dat de Centrale Commissie voor het Joodsche Onderwijs in de Amsterdamse situatie veel heeft betekend; de Afdeling Onderwijs van de gemeente was immers snel en adequaat in staat het onderwijs voor joodse kinderen in alle geledingen te organiseren. Het werk van de Commissie strekte zich vooral uit in het land, waar in minstens dertig plaatsen joods onderwijs door de gemeenten moest worden georganiseerd.
Daar zaten de problemen, enerzijds was er het gebrek aan joodse leerkrachten; als ze er al waren woonden ze vaak niet in de stad waar een school moest worden gesticht. Het andere probleem betrof de vaak zeer kleine aantallen kinderen, waar geen school voor mogelijk was, ook al had het Departement de stichtingnorm naar beneden de 50 bijgesteld. Wat moest er gebeuren met vijf kinderen op Texel of veertien in Alkmaar of één leerplichtig joods jongentje in Terneuzen.
Een complicatie was dat die Haagse Coördinatie Commissie overal in het land vertegenwoordigers had, die aan de lokale sjoels verbonden waren. Veelal bemoeiden zij zich ter plekke met het opzetten van die nieuwe joodse scholen, waardoor de lokale gemeente-besturen aarzelden deze onder hun verantwoordelijk-heid te nemen.
Ook bij het vinden van geschikte leerkrachten liep het in het begin allemaal via die lokale vertegenwoordigers naar de Coördinatie Commissie in de Haag. Die maakte dan contact (schriftelijk, want zo ging dat toen) met de Centrale Onderwijscommissie van de Joodsche Raad en die maakten dan weer contact met het Onderwijs-departement en ook met de betreffende gemeente.
In de maanden dat de verschillende instellingen naast elkaar bestonden en vervolgens probeerde de zaken te regelen, was er zodoende meer verwarring dan vruchtbare samenwerking.
Secretaris-generaal van Dam van het Departement van Opvoeding probeerde het met een taakverdeling voor de joodse onderwijszaken; hij bepaalde dat de Joodsche Raad zich met de Amsterdamse situatie zou bezig houden en dat alles elders in het land dan een zaak van de Haagse Commissie zou zijn. Maar ook zijn eigen departement hield zich niet aan deze taakscheiding en verwees de ene keer naar het Haagse adres en de andere keer naar Amsterdam.
Ook die Centrale Onderwijs Commissie zelf, probeerde tot een werkverdeling te komen, maar eigende zich vervolgens ‘alle getroffen leerlingen ’ toe ‘zonder onderscheid van leeftijd, soort van onderwijs, woonplaats’. De secretaris van de Onderwijs Commissie, Herman Aa eindigde zijn brief van 8 october 1941 met ‘Het zal uitermate moeilijk, zo niet onmogelijk zijn, scheidingslijnen te trekken, onderscheid te maken tussen groepen kinderen, wier lot de Commissie zich wel, en andere groepen kinderen, wier lot de Commissie zich niet aantrekt’
Dat alles speelde zich af in de weken tot eind oktober, toen de Coördinatie Commissie werd opgeheven; in die tien weken waren vele tientallen brieven tussen den Haag en Amsterdam, heen en weer gezonden.
Begrijpelijkerwijs namen de werkzaamheden van de Onderwijscommissie dus zodanig toe dat er in overleg met SG van Dam, een bureau werd opgezet. Het werd gevestigd in de Amsterdamse Tulpstraat, op nr 17 en Isaac vd Velde nam de leiding op zich; hij schreef over de werkzaamheden van de commissie:
Zij bezit n.l. geen enkele dirigerende bevoegdheid, zij kan in geen enkel opzicht, noch wat de stichting van scholen, noch wat benoeming van personeel, noch wat de aanschaffing van leermiddelen, enz. betreft, enig zelfstandig en beslissend besluit nemen. Zij bemiddelt o.m. inzake benoemingen tussen de Burgerlijke autoriteiten t.w. het Departement van Opvoeding en de Gemeentebesturen en de autoriteiten der Joodsche gemeenschap, t.w. de provinciale en plaatselijke vertegenwoordigers van den Joodse Raad. Daarnaast adviseert zij naar beide zijden, met dit verschil dat zij eerst dan aan de Burgerlijke autoriteiten kan adviseren als haar advies gevraagd is, terwijl tegenover de vertegenwoordigers der joodse gemeenschap meer aan haar eigen initiatief is overgelaten. Middelaarster, Adviesbureau, informatiebureau, ziedaar in eerste instantie de positie en taak van de C.C.J.O. [NIOD 182-282/0031 - 18 dec 1941]

Eind oktober 1941 beval de bezetter de opheffing van de Joodsche Coördinatie Commissie en bepaalde dat de Joodsche Raad voor Amsterdam van nu af aan, ook landelijk moest opereren. Door het wegvallen van die Haagse Commissie was de noodzaak voor een ‘Centrale’ commissie voor het onderwijs verdwenen; voorlopig was het gewoon de Afdeling Onderwijs van de Joodsche Raad. Maar Isaac van der Velde, het hoofd van het bureau had daar moeite mee. Slagvaardigheid is gewenst in het licht van de ophanden zijnde overdracht van de scholen, betoogde hij, en dat lukt niet als het onderwijs slechts een afdeling is en alle besluiten via het bestuur van de Joodsche Raad moeten lopen.
Zo ging de volgende fase in, onder de titel ‘Bestuur voor de Joodse Scholen in Nederland’ kwam er in het voorjaar van 1942 een onderraad van de Joodsche Raad, die vrij zelfstandig kon handelen en beslissen in alle onderwijszaken, voor het gehele land. Er kwam een eigen schoolbestuur met vijf leden; uiteraard werd professor Cohen, voorzitter van de Joodsche Raad ook voorzitter van deze onderraad, de andere leden waren opperrabbijn Dasberg, Ies Jacobson, Ed. Spier en Isaac Van der Velde. Er werd zelfs een statuut voor het joodse onderwijs ontworpen, maar net als het statuut voor de Joodsche Raad is dat nooit bekrachtigd geworden door de bezetter, die had daar geen belang bij (pas bij de razzia’s in mei 1943 begreep voorzitter Cohen het waarom).
Na de zomervakantie van 1942 werd het duidelijk dat de overdracht van de joodse scholen aan de Joodsche Raad op handen was. Eerst werden er nog wat ‘achterhoedegevechten’ gevoerd over de financiering [zie § 14 en 18] tussen SG van Dam en zijn collega op Financiën Rost van Tonningen, maar dat het ging gebeuren stond inmiddels vast. Isaac van der Velde had daar op vooruitlopend, het Onderwijsbureau aan de Tulpstraat stevig opgetuigd, want het besturen van zoveel scholen kon je nu eenmaal niet doen zonder een volwassen organisatie.
Ze waren duidelijk klaar voor al die nieuwe joodse scholen in heel Nederland, van kleuterschool en lagere school tot en met de lycea. Maar het duurde toen nog tot het eind van 1942 voordat de overdracht werkelijkheid werd.

§ 14. de overdracht
Half november 1942 was het zover, de joodse scholen werden op bevel van de bezetter, door de gemeente overgedragen. Gebouwen, materialen, leerlingen en leerkrachten, alles ging over naar de Joodsche Raad. Maar er zat blijkbaar nog al wat spanning tussen het voornemen van de Reichskommissar en de werkelijke overdracht, waardoor die niet gelijk bij het begin van het schooljaar had kunnen plaatsvinden. Ook bij de invoering van de leerlingenscheiding een jaar eerder, was dat al niet gelukt.
In de eerste helft van 1941 regende het isolatie-maatregelen, van bioscoopverbod en parkverbod tot en met het winkelverbod en de afzonderlijke markten. Maar al die maatregelen waren qua uitvoering van een geheel andere orde dan het uit het Amsterdamse onderwijs verwijderen van zo’n achtduizend joodse kinderen. Alhoewel de gemeentelijke afdeling Onderwijs al sinds half april de opdracht had voorbereidingen te treffen, was het niet gelukt de nieuwe joodse scholen gelijk bij het begin van het schooljaar, half augustus 1941 te openen. Er was duidelijk wat anders aan de hand, zoals in de notulen van de vergadering van 19 augustus 1941 van de Joodsche Raad te lezen valt:
Op 14 Augustus [1941] kwam Prof. Cohen, op verzoek, bij de Wethouder van Onderwijs. Toen werd de circulaire voorgelezen, uitgaande van den Hr. Wimmer. Er was besloten de Joodsche kinderen van de algemeen scholen te nemen, zodra het Jodenstatuut er zou zij, maar nu dit uitbleef was voor Amsterdam, Rotterdam en den Haag voor alle openbare en particuliere scholen de datum op 1 September gesteld. [NIOD 182/003-0011]
Blijkbaar was er op ambtelijk niveau gewerkt aan een alles omvattende verordening ter uitsluiting van de joodse bevolking, maar het was niet gelukt zo’n sluitend ‘statuut’ op te stellen. En toen was er plotseling haast; de verwijdering van de joodse leerlingen duldde geen langer uitstel; door het ontbreken van dat statuut bleven er echter verschillende problemen op het bord van de bezetter liggen.
Allereerst was er een probleem met de status van de nieuwe Joodsche scholen; aanvankelijk leek het gewoon openbaar onderwijs te zijn, maar nog voor dat de nieuwe scholen hun deuren openden, schoof de bezetter op en werd de titel ‘ongesubsidieerde bijzondere scholen’ - later werd dat ‘gesubsidieerde bijzondere scholen’ en nog later ‘gesubsidieerde scholen’ en zelfs ‘inrichtingen voor onderwijs aan joodse kinderen’.
Secretaris-generaal van Dam wist er niet goed raad mee, gelet op de boodschap in de eerste circulaire, van eind october ’41 waarmee hij een aantal gemeenten uitnodigde tot het stichten van joodse scholen over te gaan:
'Wat het karakter der Joodsche scholen betreft, diene het volgende: De door mij ontworpen regeling gaat aanvankelijk uit van het standpunt, dat deze scholen uiteindelijk onder het bestuur zullen staan en onderhouden zullen worden door den in te stellen Joodsche Raad en als zoodanig dus zullen moeten worden beschouwd als ongesubsidieerde inrichtingen van bijzonder onderwijs. Het komt mij voor, dat ook al zal aanvankelijk de financiering uit de openbare kassen plaats hebben, reeds thans dit karakter aan de Joodsche scholen moet worden toegekend’
[NIOD 182/270-0068 e.v circulaire 28 oct 1941]
Die ‘ontworpen regeling’ was in strijd met de Nederlandse Grondwet, de Onderwijswet en de Leerplichtwet. In die wetten werd immers bepaald dat elk kind (binnen de leerplichtige leeftijd) recht had op onderwijs en dat dat kosteloos moest zijn en dat de Staat der Nederlanden het onderwijs bekostigde, óók het niet-openbare onderwijs.
Zowel de Joodsche Coördinatie Commissie als de Joodsche Raad protesteerden bij van Dam, maar vooral burgemeester Haspels van Enkhuizen was met een brief van 3 kantjes het felst in het oordeel dat het Departement van Opvoeding zich niet aan zijn eigen wet op het lager onderwijs hield.
De Secretaris-generaal haastte zich daarop te verklaren dat de maatregelen zoals uitgevaardigd, inderdaad in strijd waren met de bestaande wetsbepalingen, maar dat hij er niet aan twijfelde dat het Duitsche gezag bevoegdheid bezat om aanwijzingen te geven, zoals met de maatregelen was gedaan. Verder schreef hij de burgemeester, dat de Duitsche autoriteiten de bedoeling hadden aan de maatregelen die wettelijke grondslag te verlenen – en dat hij daar met klem op had aangedrongen. Maar zoiets zou erg veel voorbereiding hebben vereist, en daarom was er van af gezien, zo besloot hij zijn schrijven. [HNA 21437/0038 : 29 aug en 6 sept '41]
Die onderwijswet regelde de toegankelijkheid tot het onderwijs; elk kind had recht op onderwijs, op een school naar eigen keuze van de ouders. Ook hier lag dus een probleem, de schoolhoofden konden met de wet in de hand, onmogelijk kinderen weren, of ze nou joods waren of niet. De bezetter bepaalde daarop - in oktober 1941, dat niet de scholen de kinderen moesten weren, maar dat de ouders strafbaar waren indien ze hun joodse kind naar een niet-joodse school stuurden.
Het uitblijven van een Jodenstatuut, de onduidelijkheid van de status van de nieuwe scholen en het school-verbod wijzen in de richting van een de strijd achter de schermen en wel zodanig dat de overdracht ook bij aanvang van het tweede schooljaar werd vertraagd.
Bij het joodse onderwijs waren drie Haagse departementen betrokken, uiteraard het departement van Opvoeding met SG van Dam en natuurlijk ook het departement van Financiën waar de NSB-er Rost van Tonningen de scepter zwaaide. Maar ook bemoeide SG mr. Karel Frederiks zich ermee, omdat zijn departement van Binnenlandse Zaken de Judenangelegenheiten bestierde.
Aannemelijk is dan van Dam, met de onderwijswet in de hand van mening was dat de joodse scholen, net als het gewone onderwijs bekostigd moesten worden door de Nederlandse overheid; volgens zijn opvatting was dit joodse onderwijs dan ook gewoon openbaar. Tegenover zich vond hij echter de man die over ’s Rijks financiën ging, de notoire NSB-er Rost van Tonningen, terwijl SG Frederiks laveerde in dit conflict, dat maanden sleepte.
Het was de Joodsche Raad ondertussen duidelijk dat zij de partij was die het joodse onderwijs onder haar hoede moest nemen. Seyss had dan wel in zijn aanwijzing gesteld dat er een afzonderlijke ‘jüdische Rat’ voor het onderwijs zou moeten komen, maar blijkbaar was dat plan inmiddels van de baan; waarop voorzitter en secretaris van de Onderwijscommissie van de Joodsche Raad, Cohen en van der Velde, het gesprek aangingen met SG van Dam en diens kabinetchef prof mr. A.L. de Block.
Naast allerlei uitvoeringskwesties die aan de orde kwamen, stond in die gesprekken die vanaf het najaar 1941 werden gevoerd, het karakter van het nieuwe joodse onderwijs en de wijze van bekostiging centraal. In de verslagen van die gesprekken staat het zo:
‘Art. 200 van de Grondwet kon niet gelden, aangezien er volgens de wil van de Duitse autoriteiten van “openbaar” onderwijs geen sprake kon zijn. Voorlopig ontbrak nog iedere wettelijke grondslag.
Wat de financiering van het ongesubsidieerde bijzonder onderwijs betreft, merkte de S.G op dat zijns inziens. de Joodse gemeenschap niet in staat was de kosten van een landelijke onderwijsorganisatie te dragen. Hij zou trachten een eventuele Staatsbijdrage te verkrijgen en aldus het Rijk financieel bij het Joodse onderwijs te betrekken. Daartoe diende eerst overeenstemming te worden verkregen met den Secretaris-Generaal van Financiën, Mr Rost van Tonningen. De onderhandelingen verkeerden nog in een aanvangsdatum’

[NIOD 182/108-0195 : 13 nov ‘41]
‘Gevraagd werd [door Cohen] of er een mogelijkheid bestond dat de Joodse Raad voor Amsterdam ten behoeve van het Joodse Onderwijs een subsidie of een toelage zou genieten.
Het Departement van Financiën maakt bezwaren, doch laat de verantwoording aan het Departement van Opvoeding, Wetenschappen en Cultuurbescherming.
De mogelijkheid van subsidie is dus niet uitgesloten en het is waarschijnlijk, dat er met de Joodse Raad overleg zal worden gepleegd inzake de grootte van de toelage.
Er is bij de Duitse autoriteiten een stroming vóór subsidie, terwijl een andere stroming meent, dat het gehele Joodse Onderwijs door de geloofsgemeenschap zelf moet worden bekostigd. Het Departement van Financiën komt tot zijn opponerende houding niet alleen gedreven door een zeker anti-semitisme, doch evenzeer door de slechte toestand van ’s Rijks schatkist.’
[NIOD 182/108-203 : 10 febr ‘42]
En zo bleef de bekostigingskwestie nog maanden slepen, maar halverwege de zomer van 42 had de Reichskommissar er duidelijk genoeg van: SG Frederiks werd ontheven van de ‘Judenangelegenheiten' en van Dam raakte de ‘Erziehung und Unterichts der Juden’ kwijt. Vervolgens stelde hij zijn Beauftragte für die Stadt Amsterdam, aan tot Sonderbeauftrager für Judenfragen, waaronder ook de ‘Erziehung und Unterrichts der Juden’ viel. 12 augustus 1942 kreeg de Raad het bericht daarover en óók dat er bij Lippmann-Rosenthal & Co een afzonderlijke bankrekening was geopend ten behoeve van een jüdischer Erziehungsfonds voor de jüdische Volksschulen.
[die Beauftragte für die Stadt Amsterdam was eerst Senator Doktor Hans Böhmcker. In juni 1942 was die opgevolgd door de SS-er Doktor Werner Schröder, deze man deed dus vanaf augustus alle Judenangelegenheiten en gaf Seyss' bevelen aan de Joodsche Raad, tot dat Amsterdam ruim een jaar later ‘judenrein’ was. Böhmcker hield zich ook al namens de Reichskommissar speciaal bezig met joodse zaken, dat was natuurlijk vanzelfsprekend omdat de meeste joodse kwesties in Amsterdam speelden]
Er was inmiddels een eigen bestuur gevormd, ‘het bestuur van het Joods Onderwijs in Nederland’, dat onafhankelijk van de Joodsche Raad kon opereren en het Onderwijsbureau onder zich kreeg. Nauwelijks was het nieuwe briefpapier gedrukt of de naam werd gewijzigd in ‘het bestuur van het onderwijs aan Joodse leerlingen’. Die wijziging bleek noodzakelijk om verwarring te voorkomen met de joodse bijzondere scholen, want niet alleen de ‘openbare’ joodse scholen, maar ook dat joods bijzonder onderwijs, zoals dat alleen in Amsterdam bestond, viel onder deze overdracht.
De zelfstandige besturen van die bijzondere scholen werden ontbonden; zij vormden op last van de Beauftragte, vervolgens samen een nieuw ‘schoolbestuur voor het Joods Bijzonder Onderwijs’. De nieuwe besturen hadden echter beide geen juridische status; joodse verenigingen en stichtingen waren immers inmiddels verboden.
[Dat waren naast de vier lagere scholen, ook een drietal kleuterscholen, een mulo en een hbs, die allemaal al van vóór de jaren ’30 bestonden Dat nieuwe bestuur werd gevormd door bestuurders van de oude instellingen; de oude rechtspersonen zijn nog niet opgeheven daardoor zitten de heren er in een dubbele positie, als gemachtigde van de oude besturen en tevens als bestuurder van het nieuwe schoolbestuur (Keizer en Asscher namens K&G en Abram en Jacobson namens TT en Lissauer namens Trenshuis en Bewaarschool.]
Zestien maanden nadat Seyss-Inquart de aanwijzing tot isolering van de joodse leerlingen had gegeven, had hij het eindelijk voor elkaar; Joodse kinderen en Joodse leerkrachten waren nu definitief buiten de Nederlandse samenleving gezet. Er was zelfs voldaan aan zijn wens van ‘einem zu gründenden jüdische Rat’ - maar wat betreft de bekostiging van het joodse onderwijs had hij bakzeil moeten halen, niet de joodse gemeenschap draaide daar voor op, maar gewoon de Staat der Nederlanden.
De isolering en centralisatie van de joodse leerlingen en leerkrachten was, volgens mij, wellicht de grootste bureaucratische operatie die de bezetter het Nederlands ambtenarencorps afdwong; ik kom daar later in mijn commentaar op terug

notitie JODENSTATUUT

JODENSTATUUT
Presser en de Jong schrijven beide niet over een (het) Jodenstatuut, maar uit verschillende documenten heb ik begrepen dat de bezetter wel degelijk bezig is geweest om (vergelijkbaar met Frankrijk ?) een statuut op te stellen dat in een klap alle joodse Nederlanders als een afzonderlijk gemeenschap zou uitsluiten van verdere deelname aan de Nederlandse samenleving.
Zo schrijft SG van Dam aan RC Voûte op 7 juli 1941 :
Het is mij bekend, dat binnen afzienbare tijd van Duitsche zijde een regeling zal worden gegeven aangaande de positie der Joodsche Nederlanders. Daarbij zal, naar mij ter oore kwam, ook aandacht worden geschonken aan de vraag op welke wijze het onderwijs voor Joodsche kinderen moet worden geregeld. [HNA 21437/00349]
Ook een ambtenaar van het onderwijsdepartement, schrijft op 4 augustus 1941, dit keer aan de onderwijsdirecteur van Amsterdam, de heer dr. Hendriks, dat Dr Wimmer zich jegens Prof. van Dam wederom heeft uitgelaten in dezen zin, dat deze zaak (de scheiding van leerlingen) geheel afhankelijk is van het op handen zijnde Jodenstatuut, en dat vóór de afkondiging dier regeling op het gebied van de scholen niets moet worden ondernomen. Verder dan interne voorbereidingen, kan noch mag thans worden overgegaan.\' [HNA 21437/00345]
Maar Op 14 Augustus [1941] kwam Prof. Cohen, op verzoek, bij de Wethouder van Onderwijs. Toen werd de circulaire voorgelezen, uitgaande van den Hr. Wimmer. Er was besloten de Joodsche kinderen van de algemeene scholen te nemen, zodra het Jodenstatuut er zou zij, maar nu dit uitbleef was voor Amsterdam, Rotterdam en den Haag voor alle openbare en particuliere scholen de datum op 1 September gesteld. [NIOD 182/003-0011]
Wat zon Statuut binnen de Nederlande verhouding met de bezetter zou hebben betekent is niet duidelijk.
Er was dus het voornemen, in de dossiers van het kabinet van de SG bevindt zich een concept, [HNA 21437/00351] maar anders dan (bijv) in Frankrijk, werden de meeste maatregelen ter isolatie en concentratie bij afzonderlijke aanwijzingen en verordeningen van kracht.
In het kader van mijn verhaal over het joodse onderwijs, kan ik alleen maar vermoeden dat het statuut zinvol leek om een afzonderlijk kader te scheppen voor het uitsluiten van de joodse leerplichtige jeugd, uit de kaders van de Nederlandse onderwijswet. Op het departement van Opvoeding waren er blijkbaar nogal wat bezwaren dat het uitsluiten van de joodse kinderen conflicteerde met art 200 van de Grondwet en met diverse artikelen van de Onderwijswet. Voor het omzeilen van de wet leek een Jodenstatuut de oplossing, denk ik.
Dat dat toch niet gebeurde en dat de invoering en overdracht op niet zulke handige tijdstippen werden doorgevoerd, wat dan weer leidde tot conflicterende situatie tov de onderwijswet, zal er mee te maken hebben gehad dat Seyss wel eens af wilde van dat probleem van die joodse kinderen; voor hem was immers één pennenstreek voldoende, voor elke stap die uiteindelijk leidde tot de volledige rechteloosheid van de Joodse Nederlanders.
ERLASS
Je zou zo denken dat er schriftelijk, een opdracht aan de Joodsche Raad is gegeven, zoals een jaar eerder het departement dat aan de gemeentebesturen deed voor de oprichting van de Joodse scholen [NIOD 182-107/057 brief dd 28 oct 1941] maar in geen van de archieven [NIOD, SAA, HNA] is zoiets te vinden. Waarschijnlijk is het zo gegaan als bij andere maatregelen in het kader van de isolatie, dat er uitsluitende mondeling bevelen en aanwijzingen zijn gegeven. In dit geval, de opdracht aan de Joodsche Raad tot die Unterhaltung und die Aufsicht der Judenschulen, is het aannemelijk dat voorzitter Cohen en de chef van het nieuwe onderwijsbureau, van der Velde ontboden zijn bij de Sonderbeauftragte dr. Schröder en door hem de ‘Erlass’ is gegeven. Niets op schrift dus, althans niets gericht aan de Joodsche Raad. Wel haastte de Sonderbeauftragte [Der Beauftragte für die Stadt Amsterdam, gevestigd aan het Museumplein nr 19] op 12 augustus 1942 een drietal brieven te laten schrijven, die tezamen een duidelijk beeld geven wat er aan de hand was, dat zo bepalend is geweest voor het laatste schooljaar van de joodse kinderen en leerkrachten in Nederland.
In de eerste brief, die gericht is aan de Joodsche Raad voor Amsterdam vermeldt hij de ‘Neuregelung der Verwaltung der jüdischen Schulangelegenheiten und Bildungen eines jüdischen Erziehungsfonds’ en verwijst naar het besluit (Erlass) van 25 juli 1942, van de Generalkommissar für Verwaltung und Justiz. Dr. Schöder schrijft verder dat de bedoelde ‘angelegenheiten der Erziehung und Unterichts der Juden’ bij het Departement van Opvoeding is weggehaald en tezamen wordt behandeld met de algemene regeling van de ‘Judenangelegenheiten’ en dat besloten is dat allemaal bij hem, als Sonderbeaftragten für Juden-fragen, neer te leggen. Tenslotte verwijst hij inzake die ‘Neuregelung der Vewaltung und Finänzierung der jüdischen Volkschule’, naar zijn brieven aan bank Lippmann, Rosenthal & Co én aan Secretaris-generaal voor Financiën, Mr. M.M. Rost van Tonningen.
In de afschriften van deze twee brieven met dezelfde datum, valt te lezen dat hij bank Lippmann opdracht geeft een bankrekening [Konto] te openen ten name van een ‘jüdischer Erziehungsfonds’ en dat daar vanaf 1 september voor elke joods kind ‘im Alter von 7 bis 15 Jahren, jährlich f.80,- seitens des niederländisches Staaten gezahlt.’(wordt), terwijl hij de SG voor Finanzien opdraagt hem op de hoogte te houden van aan die rekening overgemaakte bedragen in samenhang met de aantallen joodse kinderen.

[NIOD 182-107/064 ev]
Sondebeauftragte Schröder laat echter na de Joodsche Raad in te lichten over de feitelijke inhoud van die ‘Neuregelung’. Van der Velde probeert dan via uitgeverij Samsom [die gedurende de bezettingsjaren zorg droeg voor de publicatie van de overheidsmaatregelen] in kennis gesteld te worden van die ‘Erlass’ van 25 juli. Maar helaas moet Samsom hem berichten dat hij hem er niet aan kan helpen : ‘er schijnen interne kwesties in zijn behandeld, die niet voor publicatie vatbaar zijn’
[NIOD 182-107/068]

notitie ART. 200 van de GRONDWET

artikel 200 van de grondwet (versie 1938)

Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regeering.

Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht der Overheid, en bovendien, voor zoover het algemeen vormend zoowel lager als middelbaar onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van den onderwijzer, een en ander bij de wet te regelen.

Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, bij de wet geregeld.

In elke gemeente wordt van Overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zoodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven.

De eischen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten deele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zoover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.

Deze eischen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zoodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.

Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar denzelfden maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hooger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.

De Koning doet jaarlijks van den staat van het onderwijs aan de Staten-Generaal verslag.

Het Joods bijzonder onderwijs bestond ten tijde van de overdracht aan de Joodsche Raad uit de volgende verenigingen en stichtingen
  • de Nederlands Israëlische Schoolvereniging Kennis en Godsvrucht, met twee lagere scholen, de Palacheschool in de Lepelkruisstraat en de Herman Elteschool in de van Ostadestraat, en de kleuterscholen aan de Nieuwe Keizersgracht, de Plantage Muidergracht en de Lekstraat, en de Joodsche ULO-school aan de Weteringschans.
  • de Onderwijsstichting Talmud Tora, met twee lagere scholen, de Talmud Tora A in de 2e Boerhaaavestraat en de Talmud Tora B in de Kraaipanstraat.
  • de Centrale Organisatie voor de Religieuse en Morele Verheffing der Joden in Nederland met de Joodse H.B.S. in de vrm Stadstimmertuin.
  • de Vereniging voor Israëlische Voorbereidende scholen met kleuterscholen in de Keizerstraat, de Rapenburgerstraat en de Kraaipanstraat.
  • en dan was er nog de ‘gestichtschool’ van het jongensweeshuis Megadle Jethomien, aan de Amstel
Los van deze joodsreligieuze scholen waren er nog een drietal bijzondere scholen die ook onder de overdrachtmaatregel vielen
  • de Joodse afdeling aan de Falckstraat, van de (neutrale) Amsterdamse Schoolvereniging voor Onderwijs en Opvoeding
  • en tot slot de Vereniging voor oprichting en instandhouding van lagere Nijverheidsscholen, met de A.B. Davidschool in de Valckenierstraat en de E.J. van Detschool aan het Hortusplantsoen

Van de gemeente Amsterdam nam de Joodsche Raad in totaal 21 scholen over, gevestigd in 19 gebouwen
Joodse school nr 1 - Oude Schans 35
Joodse school nr 3 - Waterlooplein 24
Joodse school nr 4 - Plantage Muidergracht 20
Joodse school nr 5 - Sparrenweg 11
dependance school 5 - 1e van Swindenstraat 135
Joodse school nr 7 - President Brandstraat 9
Joodse school nr 9 - Kraaipanstraat 58
Joodse school nr 11/12 - Jekerstraat 84/86
Joodse school nr 13 - Jan van Eijckstraat 21
1e Joodse Montessori - Daniel Willinkplein 11
2e Joodse Montessori – 2e Boerhaavestraat 82
en in de Cliffordstraat (West) en aan de Floraweg 15 (Noord) de eenklassige schooltjes nr 14 en 15; de laatste verhuisde kort daarop naar Blauwe Distelweg in Asterdorp.
  • Verder ging ook de Joodse VGLO-school en de Joodse MULO over, die gevestigd waren in de Chr de Wetstraat 21/23 en daar ging ook de Joodse Kweekschool mee.
  • de Joodse BLO-school aan de Plantage Muidergracht 26/28 en in de Joubertstraat 11
  • het instituut voor Voortgezet Onderwijs (IvVO) bestaande uit het Joods Lyceum en de Joodse HBS gevestigd in de vrml Stadstimmertuin 1 en in de Lepelstraat 22
  • Ook de drie openbare joodse kleuterscholen gespreid gevestigd in de scholen aan de Sparrenweg, de 1e van Swindenstraat, het Willinkplein, de Joubertstraat en de 2e Boerhaavestraat.

zie verder het afzonderlijke, gedetailleerde artikel over de Joodse scholen, dat als bijlage dient bij dit artikel

§ 15. de verjoodsing
I
Naast allerlei praktische zaken die bij de overdracht van de scholen aan de Joodsche Raad, besproken en geregeld moesten worden, was er ook de kwestie van het Joods Cultureel Onderwijs of anders gezegd ‘hoe joods moesten die nieuwe joodse scholen zijn.’
Feitelijk waren die gemeentelijke joodse scholen openbaar en neutraal; daarnaast waren er een viertal ‘joodsreligieus georiënteerd’ joods-bijzondere scholen. Maar de overdracht naar de Joodsche Raad was voldoende aanleiding om die neutrale joodse scholen ook een ‘positief joods’ karakter te geven, althans dat werd door nogal wat betrokkenen overwogen.
Die discussie begon meteen al, in november 1940, toen de joodse onderwijskrachten uit het onderwijs werden verdreven. De toen pas gevormde Joodse Coördinatie Commissie [de Joodsche Raad bestond nog niet] benoemde een adviescommissie voor het onderwijs aan de joodse leerlingen, voor het geval dat de kinderen hetzelfde lot als hun leerkrachten zou treffen. Het advies kwam snel, januari 1941 lag er een rapport met de titel ‘Schema voor een afdeling onderwijs’ Het was opgesteld voor het geval dat ‘indien onverhoopt uit de omstandigheden acute problemen ten opzichte van het onderwijs aan Joodse kinderen zouden voortkomen.’
Het rapport is door mij niet gevonden in een van de beschikbare archieven. De bron die ik hanteer is Herman Aa; als secretaris van het onderwijsbureau van de Joodsche Raad schreef hij in 1942 een verslag over het joodse onderwijs. In dat uitvoerige verslag is sprake van deze onderwijsadviescommissie, die er voor pleit dat op de op te richten joodse scholen Joods Onderwijs gegeven gaat worden. Ook in de vergaderverslagen van de Centrale Commissie van de Joodsche Raad [NIOD 182/003 - 006] wordt er gewag van gemaakt: ‘Met gegevens is men reeds goed voorzien, door het werk van een commissie die reeds lang tevoren door de Coördinatie Commissie was ingesteld.’
Ik ga verder af op dat wat Herman Aa, er over geschreven heeft.
[NIOD 182.283].
Die Onderwijsadviescommissie stelde voor Joods Cultureel Onderwijs te introduceren op de eventueel te vormen scholen, dat zou dan moeten bestaan uit Hebreeuws, joodse geschiedenis, leer der riten en symbolen en dat alles zou toch zeker 3 uur per week moeten beslaan. Maar kennis van de bijbel ontbreekt in dit rijtje en over het vak Hebreeuws merkt de commissie op dat, dat minimaal mag zijn, waar dan bovendien nog dispensatie van mogelijk zou moeten zijn. Tot slot wordt verondersteld dat er te weinig goed geschoolde leerkrachten zouden kunnen zijn, om dit joodse onderwijs te verzorgen.
Maar naast de kwestie van het joodse onderwijs, citeert Herman Aa: ‘Bij de inrichting van de school zal het in de eerste plaats aankomen op de geest, waarin de school geleid wordt. Hiermede wordt niet slechts bedoeld, dat er Joodse feestjes moeten worden gemaakt, maar meer, hoe de school er elke dag zal uitzien; zowel materieel (platen e.d.) als ideëel (onderwerpen van opstellen, trant van geschiedenis-vertellen, zang-onderwijs en dergelijke)’ m.a.w. de school zou in positief-joodse zin moeten worden geleid.
Als slot van deze paragraaf in zijn rapport schrijft Aa dat de orthodoxe zowel als de nationalistische groepen binnen de Joods-Nederlandse bevolking in feite een kleine minderheid vormden, terwijl in het onderwijsschema van de commissie wel een vrij grote plaats voor het specifiek Joods onderwijs werd ingeruimd. Dat dit eventueel door vele ouders, doch nog in sterkere mate door de leerkrachten (afkomstig van het Openbaar onderwijs) niet van harte geaccepteerd zou worden, was te voorzien.
Maar anderzijds, zo concludeer ik, wilde de overgrote liberale meerderheid van de Amsterdamse joden, geenszins beschuldigd worden van een anti-joodse houding; met ander woorden, men accepteerde dat op die nieuwe scholen ‘kennis van en liefde voor het Jodendom zou worden bijgebracht en dat, dat alleen zou kunnen in een bewust Joodse omgeving waarbij de leiding van de school dus zorg draagt, dat in het gebouw en in de lessen een Joodse sfeer wordt geschapen. Baat het niet, het schaadt ook niet’
[NIOD 182.283 – p 16 tm 20]
Dat schreef de adviescommissie dus in januari 1941, en zodra het tot de Joodsche Raad doordrong dat de onderwijsscheiding werkelijkheid ging worden, werd dat ‘schema voor een afdeling onderwijs’ uit de kast gehaald. Meteen, in de vergadering van 17 juli werd die commissie van de Coördinatie Commissie, die nogal gedomineerd werd door het rabbinaat, terzijde geschoven en werd er een nieuwe commissie geïnstalleerd, de Centrale Commissie voor het Joodse Onderwijs, met uitsluitend ‘vakmenschen’, zoals vd Velde (insp. onderwijs Groningen), Elte (leraar hbs Zaandam), Hartog (hoofd lager school Amsterdam) en opperrabbijn Dünner.
Binnen twee maanden presenteerde deze nieuwe commissie, weer onder leiding van rabbijn J.H. Dünner, in september 1941 een weliswaar beknopt, plan voor Joods Onderwijs in de lagere school
'Doel : het onderwijs moet bijbrengen kennis van en liefde voor het Jodendom
Sfeer van het onderwijs : Het Joodse onderwijs kan eerst dan volledig tot zijn recht komen, indien het gegeven wordt in een bewust Joodse omgeving, d.w.z. dat de leiding van de school zorg draagt voor een Joodse sfeer tot uiting komend in de inrichting van het gebouw, in het aandacht schenken aan het joodse jaar, in het behandelen van joodse onderwerpen, ook bij andere lessen.
De sfeer moet liefde wekken voor het Joodse volk, eerbied voor zijn traditie en besef van zijn positie.
Inhoud : Hoezeer ook emotionele momenten een rol moeten spelen bij de opleiding van het Joodse kind, toch meent de commissie, dat bij het onderwijs, qua talis het bijbrengen van de kennis voorop moet staan, uiteraard bezield door het enthousiasme van den leraar.'
[NIOD 182.286-0001 tm 0003]
Düner c.a. legde in het lessenschema, net als in het rapport van de eerdere commissie, het accent op Hebreeuws, als basis om kennis en begrip van Jodendom te verwerven. Weliswaar was er nu sprake van ‘levend Hebreeuws’ (Ivriet dus) en ‘Uitspraak en woordenkeus moeten zijn afgestemd op een levende wereld’ en leek het daarmee tegemoet te komen aan de meer nationalistische [zionistische] groepen in de joodse samenleving. Maar met twee keer per week driekwartier Hebreeuws, was dit plan toch eigenlijk een opstapje voor godsdienstonderwijs en daar was de Joodsche Raad nu juist in grote meerderheid op tegen. Joods Cultureel Onderwijs, dat werd ondertussen aanvaardbaar gevonden, met het accent op de joodse geschiedenis, riten en symbolen, zang en vooral veel verhalen, over Josef, Mozes, Saul, David en Salomo, de koningen van Israel en Juda tot en met de verwoesting van de tweede Tempel. Maar godsdienstonderwijs moest buiten de openbare school blijven.
Van dat Joods Cultureel Onderwijs is in dat eerste schooljaar niets terechtgekomen en wat de joodse sfeer betreft, bepaalde de burgemeester dat ‘Met het oog op de nadering van een groot aantal joodsche feestdagen’ de scholen niet alleen des zaterdags gesloten zullen zijn, maar ook op de volgende joodsche feestdagen : 22/23 September Nieuwjaar; 1 October Groote Verzoendag; 6 en 7 October Loofhuttenfeest; 13 october Slotfeest en 14 October Vreugde der Wet.

II
Waarschijnlijk niet geheel los van het voorzichtige gemanoeuvreer van de Joodsche Raad en de nieuwe Centrale Onderwijscommissie, vatten de Nederlands Israëlische Hoofdsynagoge en de Portugees Israëlische Gemeente in Amsterdam, tezamen het plan op om joods-godsdienstonderwijs te gaan geven op die nieuwe scholen. De onderwijswet bood immers toentertijd in artikel 26, kerkgenootschappen de mogelijkheid binnen de school en binnen schooluren godsdienstonderwijs te verzorgen. Er werd een verzoek gedaan aan de gemeentelijke afdeling onderwijs en dat was best wel een precedent, geen van beide joodse kerkgenootschappen had eerder op een openbare Amsterdamse lagere school zulk soort onderwijs gegeven.
Joods godsdienstonderwijs werd immers sinds jaar en dag, buitenschools verzorgt door de verschillende synagogen in de stad, in zgn ‘zondagschooltjes’ die zondag en woensdagmiddag aan de joodse kinderen in de buurt, in een ‘clubhuisachtig’ sfeer, joods onderricht aanboden. En natuurlijk werd er godsdienstonderwijs gegeven op de vier joodse bijzondere lagere scholen, maar binnen het openbaar onderwijs in Amsterdam hadden de Joodse Kerkgenootschappen tot toen toe geen rol.
Het schijnt dat de burgemeester, want die ging toen over dit soort zaken, in eerste instantie afkerig stond van deze poging het onderwijs op de nieuwe joodse scholen te beïnvloeden. Half november kwam hij alsnog, schoorvoetend over de brug en schreef
‘.. deel ik u mede dat ik bij nadere overweging bereid ben, ertoe mede te werken, dat aan de Joodsche scholen voor gewoon en voortgezet gewoon lager onderwijs binnen den gewonen schooltijd aan de leerlingen, wier ouders daartoe den wensch te kennen hebben gegeven, gelegenheid wordt gegeven , godsdienstonderwijs te ontvangen van een door U aan te wijzen godsdienstleeraar en wel gedurende drie uur per week etc...’. [NIOD 182.153-0009]
Onduidelijk is wat er van terecht is gekomen; de gemeente had dan wel toestemming gegeven voor godsdienstonderwijs, met een uitdrukkelijke dispensatie-mogelijkheid voor ouders die bezwaren koesterden. Een probleem was echter de beschikbaarheid van godsdienstleerkrachten, dat waren niet de klassenonderwijzers, maar speciaal opgeleide krachten, benoemd en betaald door de kerkgenootschappen. Daarvoor moest dus een beroep worden gedaan op de juffen en meesters van die ‘zondagschooltjes’ en dat had nogal wat voeten in de aarde.
Vermoedelijk waren er in het Amsterdamse toen, zo’n twintig joodse godsdienstonderwijzers en onderwijzeressen, uiteraard had elke joods-bijzondere school er minstens een in dienst die daarnaast ook les gaf op zo’n buitenschools godsdienstschooltje. Maar er waren er ook die hun activiteiten op die zondagschooltjes combineerden met doordeweeks een ander beroep, buiten het onderwijs. Het zal knap lastig zijn geweest om puttende uit dit kleine reservoir, elke nieuwe joodse school te voorzien van een godsdienstonderwijzer of onderwijzeres, voor drie uur per week in alle klassen, zoals de burgemeester had toegestaan.

III
Maar het ging in het plan van de commissie niet alleen om godsdienstonderricht, of Joods Cultureel Onderwijs, er was zeker behoefte aan een joodse sfeer, op al die nieuwe scholen. Schoolhoofd Jerohm Hartog van de joodse school nr 7 schrijft het zo in het Joodsche Weekblad van 10 oktober 1941:
‘Het Joodsche schoolkind bevindt zich thans in eigen omgeving. Het werkt, leert en leeft dagelijks met Joodsche kameraden, het heeft Joodsche onderwijzers en leeraren. Daar kan een groote kracht van uit gaan voor het latere Joodsche leven van dit kind. Het is duidelijk , dat de Joodsche scholen kinderen bijeenbrengen uit verschillende Joodsche milieus, waar men schakeeringen aantreft tot a-religieus en a-nationaal toe. Daartusschen ligt een rijk gevarieerd terrein van geloofs- en ander inzicht. En het is moeilijk om de uitersten tevreden te stellen.
Doch het behoort toch zeker tot de mogelijkheden om deze vogels van diverse pluimage iets positief Joodsch mee te geven voor hun geheele leven.
Is er ooit schade toegebracht aan de ziel van een kind, wanneer het bekend gemaakt werd met het specifiek eigene, met de cultuurwaarden van de gemeenschap, waarmede het met sterke banden gebonden is ? Wij gelooven zeker, dat dit niet het geval is. En waarom zou ons Joodsche schoolkind, dan niet iets van de Joodsche geschiedenis, van de Joodsche taal, van de Joodsche cultuur mogen leeren ? Wanneer het hierdoor interesse krijgt voor het Jodendom en zijn godsdienst, dan staan het genoeg wegen open om zich verder en diepgaander te verrijken met Joodsche kennis’
De schrijver, schoolhoofd Hartog kwamen we al tegen zowel in die onderwijsadviescommissie die dat schema voor een afdeling onderwijs opstelde, als in de nieuw gevormde Centrale Onderwijscommissie van de Joodsche Raad. Met het artikeltje in het Joodsche Weekblad verwoordde hij weliswaar het commissiestandpunt inzake de ‘joodsheid’ van het nieuwe onderwijs, maar of hij medestanders had onder de hoofden van die zeventien lagere scholen, dat is zeker de vraag; voorzitter Cohen laat immers in een van de vergaderverslagen noteren :
‘de moeilijkheid schuilt daarin dat de leerlingen en het personeel van de scholen voor het allergrootste deel buiten het Jodendom staan. Zij wensen geen bepaald Godsdienstonderwijs, doch willen zich schikken in een onderwijs dat objectieve kennis bijbrengt’ [NIOD 182/102-0065]

IV
Dat de discussie over het karakter van de nieuwe scholen zich uitstrekte tot in de huiskamers, was vanzelfsprekend en dat er ook ‘fanatici’ opstonden om het vuurtje aan te wakkeren, niet meer dan logisch. Salomon Voet (vakbondsman) en Jacques de Leon (journalist) deden dat met een brief aan alle schoolhoofden, toen het Sinterklaasfeest 1941 naderde.
Naar wy vernemen bestaat het plan om op verschillende scholen welke uitsluitend voor Joodse leerlingen bestemd zyn, het Sint Nicolaasfeest te vieren. [........] Allerwegen wordt ons Joden in toenemende mate erop gewezen dat wy behoren tot een Joodse gemeenschap, dat wy anders zyn dan de overige Nederl. bevolking. Dat dit speciaal in Assimilanten-kringen niet gaarne wordt aanvaard, verandert de realiteit niet ! Den kop in het zand steken is behalve onwaardig ook een gevaarlyke tactiek, de onafwendbare gevolgen zullen, voor zoover deze nog niet op hun hoofden zyn neergekomen, niet uitblyven. U echter, als opvoeders der Joodse jeugd in deze moeilyke tyd hebt een zware taak en een even zware verantwoordelykheid.
[.....] Helaas, slechts noodgedwongen zyn Joodse kinderen toevertrouwd aan de leiding van Joodse leraren. Uit die nood een deugd maken, is de eenig juiste houding ! Sinterklaas vieren al of niet met katholieke emblemen op een Joodse school onder leiding van Joodse leraren onder auspiciën van den Joodsen Raad is een hoon voor het zich orthodox noemende Ned. Rabbinaat. Daartegenover en ook om den kinderen hun “pretje” niet te onthouden is het vieren dit jaar van Chanoekah op de scholen een veel waardiger geste. Ook en vooral uit peadagogisch standpunt bezien van onschatbare waarde.
[deze brief ondertekend door Salomon Voet, mede namens Jacques de Leon (Kastanjeplein 13), ontvingen de Hoofden van de nieuwe joodse scholen eind november 1941. Jacques de Leon was redacteur (en eigenaar) van het Joodse Weekblad, maar dat mag niet verward worden met het Joodsche Weekblad dat uitgegeven werd, met autorisatie van de bezetter, door de Joodsche Raad. Het weekblad van de Leon verschijnt vanaf augustus 1940 tot het eerste nummer van het officiële Joodsche Weekblad, 11 april 1941.] [de volledige brief is te vinden in de map van school nr 15 bij het NIOD : 182.153- 011]
Dat was december 1941; een jaar later ging de strijd om Sinterklaas gewoon verder. School nummer 3 aan het Waterlooplein bereidde november 1942, het jaarlijks sinterklaasfeest voor en daar kreeg opperrabbijn Philip Frank lucht van. Hij seinde collega-schoolbestuurder Isaac Jacobson in en die kon niet nalaten de pas benoemde Inspecteur voor het Joods Cultureel Onderwijs er een briefje over te schrijven. Nico Dasberg antwoordde per kerende post uit Hilversum:
‘Ik ben gaarne bereid met den Heer Frank dit Sinterklaasfeest op school No 3 meer luister bij te zetten. De Heer Frank laat ik de eerste keus: of hij voor Sinterklaas wil spelen of dat hij liever zwarte Piet is. Ik zou overigens gaarne het gedelegeerde karweitje uitknokken, maar ... helaas ik heb nog steeds geen reisvergunning. .... Zou dus de Heer Frank de gevechten maar vast willen openen ? [NIOD 182.106 – 043 dd 16 Nov 1942]
Maar daarmee was de zaak niet afgedaan, de kwestie werd subbiet aangekaart in het nieuwe Joodse Schoolbestuur. Frank en Jacobson riepen daar om het hardst dat ‘wij geen sinterklaasfeest, doch een Chanoekah feest moeten maken’ en dat er in plaats van de kerstvakantie, een Chanoekah-vakantie in gesteld moest worden en dat er ook maar meteen overgestapt zou moeten worden op het Joodse jaar. In de vergaderingen van het Joodse Schoolbestuur vonden ze echter de liberale Cohen en vd Velde tegenover zich, want die wilden zo weinig mogelijk veranderen. Maar er is wel een ‘opwekking’ uitgegaan aan alle scholen:
‘Wij zouden het zeer op prijs stellen, indien U ter gelegenheid van het a.s. Chanoekafeest op de onder uw leiding staande onderwijsinrichting voor de leerlingen een feestelijke bijeenkomst wilt organiseeren. Chanoeka iss de laatste tijd een volksfeest bij uitnemendheid geworden. Wij vertrouwen dan ook, dat u aan ons verzoek gevolg zult geven.
U zult voor de uitvoering van dit plan zeker de medewerking van de leerkracht voor het Joodsch Cultureel Onderwijs kunnen verkrijgen. Het Onderwijsbureau van de Ned. Isr. Hoofdsynagoge heeft een aardig plan uitgedacht en zal u gaarne met de uitvoering daarvan behulpzaam zijn.

(Chanoeka was in 1942 van 4 tot 11 december)
[NIOD 182.108-0210]

V
Het is dan al november 1942, de feitelijke overdracht van de scholen aan de Joodse Raad is gaande; de ‘strijd’ over het joodse karakter van de scholen gaat een nieuwe fase in, nu de gemeente haar gezag heeft overgedragen. Ook de Centrale Culturele Commissie van de Joodsche Raad mengt zich er in en schrijft aan het pasgevormde Joodse Schoolbestuur:
‘Het aan de onder Uw leiding staande scholen te geven onderwijs zal naar onze stellige overtuiging zijn eigen stempel dienen te ontlenen aan het streven, den leerlingen de kennis bij te brengen, die nodig is voor een begrip zowel van de oorzaken, die het voortbestaan van het Joodse volk hebben mogelijk gemaakt, alsook van die welke tot zijn tegenwoordige positie hebben geleid. Daartoe komt naar wij menen, in aanmerking onderwijs in de navolgende vakken: Hebreeuws taal – Joodse letterkunde – Joodse geschiedenis – Joodse zedenleer – Joodse levenspractijk’
[NIOD 182.139.015]
In het schooljaar ‘41-‘42 was er dan wel godsdienstonderwijs verzorgd en daar hadden de meeste leerlingen aan deelgenomen (80% zelfs, althans volgens vd Velde, de chef van het onderwijsbureau) maar godsdienstonderwijs, is niet hetzelfde als Joods Cultureel Onderwijs en voor dat laatste werd allerwegen gepleit. Nu de overdracht een feit was, de gemeente zich noodgedwongen had teruggetrokken en de joodse gemeenschap zelf verantwoordelijk was gemaakt, zagen de orthodoxen, de zionisten, zowel als de liberalen een kans het onderwijs naar hun eigen richting te trekken.
Het binnenschoolse godsdienstonderwijs (A-onderwijs) werd door de liberalen gezien als een voorbereiding op het buitenschoolse godsdienstonderwijs (het B-onderwijs, dat ook de joodse liturgie behandelde en opleidde voor de Bar/Bat-Mitswa) en daar wilden de liberale meerderheid niets van weten, zeker niet op een openbare school. Het binnenschoolse A-onderwijs moest dus zodanig worden aangepast en ontdaan van ‘godsdienstige aspecten’ dat het verder kon als Joods Cultureel Onderwijs of Algemeen Vormend Joods Onderwijs. Weliswaar met dezelfde leerkrachten, die allemaal opgeleid waren aan het Nederlandsch Israëlisch Seminarie en bevoegd waren voor zowel het A- als het B-godsdienstonderwijs.
Dat maakte de kwestie extra ingewikkeld, voorheen waren de leerkrachten voor het godsdienstonderwijs ‘gast’ op de school; er bestond geen gezagsverhouding; ze werkten in opdracht van de Hoofdsynagoge. Nu echter de Joodsche Raad het gezag over de scholen had gekregen (en dus ook over het personeel), rees de vraag wie er de baas was over deze gastleerkrachten en of opperrabbijn Frank zomaar een school mocht bezoeken. Er wordt een gezamenlijke commissie ingesteld van de het nieuwe schoolbestuur en de hoofdsynagoge om een en ander uit te praten.
Het lijkt nauwelijks meer over de inhoud van het leerplan te gaan, en niet alleen liberale joden hebben er een probleem mee en de zionisten, maar ook de Parnassien van de Portugees Israëlitische Gemeente; de Hoofdsynagoge die die leerkrachten leverde was immers niet de Portugese.
Ondertussen is het al februari 1943, zo’n beetje de helft van de Amsterdamse joden is al verdwenen en er zijn nieuwe hoofdrolspelers. De opperrabbijnen Philip Frank en Lodewijk Hartog Sarlouis zijn dood, ook rabbijn Joseph Dünner (Dinner) is verdwenen, maar de nieuwe opperrabbijn Simon Dasberg, die rabbijn Frank in maart 1943, opvolgde staat zijn mannetje en raakt bijna meteen, in conflict met zijn naamgenoot Nico Dasberg uit Hilversum, de in november benoemde inspecteur op het joods cultureel onderwijs. En dan wendt Willem Elte, de rector van het Joodsch Lyceum zich ook nog eens in de strijd :
'Het invoeren van confessioneel onderwijs of half confessioneel onderwijs, lijkt mij een opgepast gebruik maken van de (huidige) omstandigheden en het aansturen op een cultuurstrijd in dezen tijd erger dan ongewenscht'
NIOD 182.106 – 0044

notitie ARTIKEL 26 - WET L.O.

artikel 26 - wet lager onderwijs 1920

1. Bij de regeling der schooltijden wordt door het vrij geven van uitdrukkelijk in de regeling genoemde uren gezorgd, dat de schoolgaande kinderen in de schoollokalen of elders godsdienst onderwijs van de godsdienstleeraren kunnen genieten. De voor het godsdienstonderwijs bestemde uren vallen binnen de schooltijden en worden voor elke school vastgesteld in overeenstemming met den door de kerkelijke gemeente of de plaatselijke kerk voor die school aangewezen godsdienstleeraar, of met die kerkelijke gemeente of plaatselijke kerk zelve, welke den godsdienstleeraar voor dit doel aanwijst.
2. Onder voorwaarden, door burgemeester en wethouders na, overleg met den inspecteur te bepalen, worden de schoollokalen, zoo noodig verwarmd en verlicht, kosteloos voor dit godsdienst-,onderwijs beschikbaar gesteld.
3. Bij verschil omtrent het vrij geven of het beschikbaar stellen, in het eerste en tweede lid bedoeld, tusschen hen, die daartoe moeten medewerken, beslist Onze Minister, den Onderwijsraad gehoord.
4. Voor de toepassing van dit artikel worden met kerkelijke gemeenten gelijkgesteld vereenigingen, welke zich met het geven van godsdienstonderwijs aan schoolgaande kinderen belasten, en dit ter kennis van het gemeentebestuur hebben gebracht, mits deze vereenigingen voldoen aan bij ,algemeenen maatregel van bestuur te stellen eischen.
(K. B. 26 Mei 1922 - Staatsblad nr 388)

§ 16. kinderen zonder ster

image.jpeg

click op foto
Op deze foto van de vijfde klas van de Herman Elte school, met hoofdonderwijzer Elias Stibbe, zijn de Davidssterren duidelijk zichtbaar. Het is mei 1942, een tiental kinderen draagt geen ster, nota bene op een confessionele school. Een nieuwe scheidslijn is getrokken : je hebt een ster of je bent een ‘kind zonder ster’, op deze foto zitten ze nog bij elkaar.
Voorheen, dat wil zeggen sinds de scheiding in het onderwijs had niemand zich daar druk over gemaakt; aanvankelijk was het geen probleem. Je kon dan wel een halvie zijn, maar je was joods en zat dus op een joodse school, op zo’n confessionele of op een openbare. Voor de meeste ouders was dat geen keuze, de kinderen bleven gewoon op hun vertrouwde school, in de klas waar ze voor de vakantie naar bevorderd waren, ongeacht het aantal joodse grootouders of de kerkelijke verbondenheid.
Wat telde was het bewijs van registratie en ook half- en kwart-joden waren in maart geregistreerd.
Het gemeentelijke gezag maakte er zich verder niet druk over, de joodse kinderen waren geïsoleerd en samengebracht. De verantwoordelijkheid voor de schoolkeuze was bij de ouders gelegd en de gemeente spande zich in voor personeel, gebouwen en leermiddelen. En iedereen bleef hopen op betere tijden. Maar met de invoering van de Davidsster, ontstond de nieuwe scheiding, de half-joodse kinderen werden zichtbaar binnen hun eigen klas, als kinderen zonder ster, die dus eigenlijk niet thuishoorden, op die joodse scholen.

image.jpeg

Vanaf zondag 3 mei 1942 was het de joden verplicht een Davidster te dragen, op de kleding waarin je de deur uitging.
De ster, een geel lapje textiel met als opdruk de zeshoekige ster met daarin het woord Jood, moest in viervoud worden aangeschaft tegen betaling van zestien cent plus een textielbon van het distributierantsoen. Dat deed je bij een bureau van de Joodsche Raad, op vertoon van het persoonsbewijs, dat vanaf april 1941 verplicht was en waar een vette J in was gestempeld, als uitkomst van de eerdere Joden-registratie.
En zo ontstond de nieuwe scheiding, immers als je niet over voldoende joodse grootouders beschikte, was je een half-jood en stond er geen J op je persoonsbewijs gestempeld en kwam je dus ook niet in aanmerking voor een Davidsster.

[overigens, een Persoonsbewijs is niet hetzelfde als een Ausweis, dat is een bewijs van toestemming of werkvergunning en dat is dan weer niet hetzelfde als een Sperr, dat was specifiek een ‘vrijstelling’ van deportatie] [zie ook hindernissen en sperre, onderaan paragraaf 12]

We weten ondertussen dat zo’n 12,5% van de 160.000 geregistreerde Joden, gerangschikt werd onder de titel half- en kwartjoden. Ik veronderstel [zie § 11] adhv de leerlingentellingen, dat bij de schooljeugd dat percentage best wel hoger zou kunnen zijn geweest. Maar als we die [minstens] 12,5% toepassen op de Amsterdamse situatie zou geconcludeerd kunnen worden dat bij aanvang schooljaar 41/42, zo’n 600 van de 5.300 joodse lagere schoolkinderen, wellicht niet voljoods was. Aan het eind van dat schooljaar werden ze gekwalificeerd als ‘kinderen zonder ster’. De meeste van hen hebben daarop hun schoolloopbaan voortgezet op een gewone (lees niet-joodse) school.
[In die periode van sept 1941 tot sept 1942, was er op de ‘openbare’ joodse scholen sprake van een daling van ruim 1.300 leerlingen. Dat zal voor een deel verklaard kunnen worden door de uittocht van de kinderen zonder ster – naast natuurlijk het vertrek vanwege de deportaties die tegen het eind van het schooljaar 41/42 begonnen - zie tabel bij § 12]
De bezetter was duidelijk, zoals weer eens bleek uit een convocatie, dit keer van het Departement van Financiën begin oktober 1942. Aan de gemeentebesturen werd gevraagd: ‘een opgave te willen verstrekken van de in Uw gemeente, op de onderwijsinrichtingen voor Joden, ingeschreven leerplichtige kinderen.’ Voor de duidelijkheid werd daarbij nog eens gesteld dat ‘Onder Joodsche kinderen worden verstaan leerlingen, bedoeld in de bekendmaking van den Secretaris-Generaal van het Departement van Opvoeding’ En zoals we ondertussen weten stonden in die bekendmaking van 16 Augustus 1941 [SAA 7433/3255] de bekende criteria voor het joodszijn, aangevuld met ‘dat kinderen, die twee voljoodsche grootouders hebben, dan als jood worden aangemerkt, wanneer zij een joodsch-godsdienstige opvoeding ontvangen'
Niet veel later werden de scholen overgedragen aan de Joodsche Raad en die was niet gerust op de aanwezigheid van kinderen zonder ster. Uit de enquête die het joodse onderwijsbureau daarop instelde, bleek dat er nog 61 kinderen zonder ster op de joodse scholen zaten op een totaal van zo’n 3.500 leerlingen. Zo’n beetje de helft van hen zat op een van de drie scholen in de Jodenbuurt. Maar die tien op de foto met meester Stibbe komen we in deze opgave niet tegen; die waren dus inmiddels geplaatst op een andere school, een niet-joodse.
Februari 1943 speelde de kwestie nog steeds en alhoewel het nog maar 33 van de 2000 joods leerlingen op de openbare joodse scholen betrof, pakte het Onderwijsbureau het opnieuw als zeer ernstig op. Tot drie keer toe werden de schoolhoofden geïnformeerd en gemaand:
‘In Amsterdam heeft men feitelijk tot Mei 1942 via de verklaring betreffende een Joods-godsdienstige opvoeding van de ouders beslist over de plaatsing van de leerlingen [bedoeld wordt hier het bewijs van registratie]. Na Mei 1942 kon bij nieuwe leerlingen gemakkelijk door middel van de ster bepaald worden, of zij op een Joodse school thuis behoorden.
Het gevolg van deze regeling is echter geweest, dat op het ogenblik
[begin febr 1943] nog steeds een aantal leerlingen, die geen ster behoeven te dragen omdat zij half-Joden zijn etc., op de scholen voor Joodse leerlingen gaan, omdat zij nu eenmaal deze school volgden. Niemand heeft hen tot nu toe bevolen, deze scholen te verlaten.'
‘In opdracht van de Duitse autoriteiten, bij wie de onderhavige kwesties aanhangig waren, zullen met ingang van 1 Maart 1943 op de Joodse scholen alleen Joodse kinderen, in de zin van Verordering 189/1940, les mogen ontvangen’
[SAA 1407 (N.I.K.) map 445]
‘de ouders van deze leerlingen direct mede te delen, dat zij hun kind naar een anders, niet Joodse school laten overplaatsen. Indien zij hiertoe niet overgaan, is U verplicht de kinderen op 1 Maart a.s. de toegang tot de school te weigeren.’
[SAA 1407 (N.I.K.) map 445]
'O.i. is het, uit veiligheidsoverwegingen voor de betrokken personen, gewenst, dat deze leerlingen, die door de Duitse overheid niet als Joden worden beschouwd, ook niet onze scholen bezoeken.
Mocht besloten worden, dat zij toch op onze scholen mogen blijven, dan is het noodzakelijk, dat de hoofden onzerzijds een verklaring krijgen, dat het leerlingen zonder ster is toegestaan onze scholen te bezoeken.’

[NIOD 182/108-255]
Ook alle ouders kregen een waarschuwing thuisgestuurd, dat
‘half-joodse leerlingen, die geen ster behoeve te dragen (b.v. omdat ze geen lid van een Joods kerkgenootschap zijn) niet meer op scholen voor Joodse leerlingen mogen worden toegelaten.
Wij zijn derhalve genoodzaakt U te berichten, dat U, na ontvangst van deze brief, Uw kind moet laten overschrijven naar een gemeentelijke school.’

[SAA 1407 (N.I.K.) map 445]
Tenslotte schreef de chef van het Onderwijsbureau, Isaac van de Velde op 2 maart 1943 aan de voorzitter van de Joodsche Raad een uitvoerige verantwoording:
Wij wisten n.l. wel, dat er half-joodse leerlingen op de scholen waren, doch niet precies wie onder deze maatregel, dat half-Joden die geen ster dragen de scholen moeten verlaten, begrepen waren.
Intussen hebben wij ons met de Gemeente Amsterdam in verbinding gesteld (afdeling Onderwijs) teneinde te vernemen op welke wijze de desbetreffende leerlingen zo spoedig mogelijk naar een Gemeentelijke school konden worden overgeplaatst.
Ons is toen verzocht een lijst van namen en adressen van de kinderen op te stellen, mede onder vermelding van de Gemeentelijke school, waar naar de overplaatsing door de ouders wordt gewenst.
Direct na ontvangst van de namen van de leerlingen hebben wij de ouders de desbetreffende opgave van de nieuwe school gevraagd.
De door de Gemeente gewenste lijst wordt thans opgesteld, waarna overplaatsing zal kunnen geschieden. De gehele maatregel zal in de loop van de volgende week naar wij vertrouwen volledig zijn beslag krijgen.’

[SAA 1407 (N.I.K.) map 445]
Veiligheidsoverwegingen werd het genoemd, het was niet verstandig leerlingen die niet aan de criteria voor het joodszijn voldeden, langer op een joodse school te handhaven.
De schoolhoofden konden er last mee krijgen, maar zeker ook het Joodsche Schoolbestuur en de Joodsche Raad. Die kinderen zonder ster mochten immers niet worden meegeteld in het subsidie, zoals dat sinds overdracht, door het Departement van Financiën aan de Joodsche Raad werd verstrekt. Vandaag zouden we zoiets als ‘fraude’ bestempelen, begrijpelijk dat van der Velde en Cohen er een kwestie van maakten. De relatie van de Joodsche Raad met de ambtelijke top van het Departement van Financiën was vanwege dat subsidie voor het joodse onderwijs, op zijn zachtst gezegd toch al uiterst precair.


notitie RELIGIEUZE OPVOEDING

religieuze opvoeding
In de circulaire van het Onderwijsbureau is sprake van een verklaring betreffende een Joods-godsdienstige opvoeding van de ouders als grondslag voor plaatsing of niet toelating van leerlingen op een joodse school.
Ervan afgezien dat zon verklaring, volgens mij, niet bestond en feitelijk werd verward met het bewijs van aanmelding van de joden-registratie, dat de gemeente verlangde, vind ik het ook niet aannemelijk dat selectie ster of geen ster alléén maar werd gedaan op grond van de verbondenheid met het joodse geloof.
Herzberg wijdt naar aanleiding van de joden-registratie even aandacht aan de kerkelijkheid van de joodse gemeenschap. Hij schrijft (p 67/69): Slechts negen percent behoorde niet tot enig kerkgenootschap, hetgeen op een sterke godsdienstige gebondenheid der joden wijst. Men heeft vaak het tegendeel aangenomen, door erop te wijzen dat de joodse gemeente slechts in naam een kerkgenootschap was, maar in wezen een organisatie van Joden, die door hun lidmaatschap een soort verbondenheid met het Joodse volk of met de Joodse gemeenschap of met de Joodse historie wilden demonstreren.
Herzberg baseert die 9% op cijfers uit 1941 van het Bureau van Statistiek der gemeente Amsterdam en publiceert op p 67 deze betreffende de joodse bevolking van 140.000 personen en daarvan is dan 9% niet kerkelijk. Maar op p 69 publiceert hij de volledige statistiek, zoals ook Tammes (zie notitie bij § 11) die gebruikt, daarin zijn naast die 140.000, van nog eens 19.500 joden van gemengde bloede opgenomen, die dus wel geregistreerd moesten zijn.
Als u me even wilt volgen : daar kerkelijke verbondenheid naast aantal grootouders het criterium was (voor toelating op de scholen, voor de ster en allerlei andere beperkende maatregelen) zou er dus sprake kunnen zijn geweest van plm 12.500 niet kerkelijke voljoden naast die 19.500 half- en kwart joden; maw zon 20% van de totale geregistreerde joodse gemeenschap zou dus niet (meer) kerkelijk verbonden zijn geweest. Maar wat deden die 10 sterloze kinderen dan bij meester Stibbbe in de klas op die confessionele Herman Elteschool ? Die waren (zeker) van huis uit wel religieus verbonden, maar tegelijkertijd niet vol-joods omdat het hen aan voldoende joodse grootouders ontbrak ! Met andere woorden, enerzijds was de niet-kerkelijkheid bij de totale geregistreerde joodse bevolking dus beduidend groter dan die 9% die Herzberg geeft en anderzijds moeten we ons niet verkijken alsof dat geloofs-criterium alles overheersend was bij het wel of niet dragen van de ster, zoals zowel Hondius als Mooijekind (p 55) aangeven.
Overigens, teken ik graag hier bij aan dat ook bij de andere Nederlanders (protestant en katholiek) die kerkelijke verbondenheid toentertijd (nog) opmerkelijk groot was, en dat was vooral zo omdat je gewoon bij geboorte als zodanig werd ingeschreven. Je ontdoen van die kerkelijke verbondenheid, vereiste een grote stap : het laten doorhalen van je kerkelijke gezindheid op je kaart in het bevolkingsregister. Ik denk dat weinigen dat deden, je moest dan immers wel een overtuigd afvallige zijn. Dus het feit dat slechts een kleine 6.000 van de 80.000 Amsterdamse joden geen kerkelijke gezindte op hun kaart hadden staan, zegt feitelijk niet zoveel over de werkelijke mate van secularisatie. Bij de volkstelling van 1930, gaf 14,4% van alle Nederlanders aan niet bij enig geloof te horen (in 1947 was dat slechts opgelopen tot een dikke 17%).
Overigens was een groot deel van de Amsterdamse joodse gemeenschap in die jaren overtuigd socialist, lid van een vakbond en van een linkse politieke stroming. Daar zijn natuurlijk geen cijfers van, want daar werd het joodszijn niet geregistreerd. Ik denk dat elke stap verder naar links qua overtuiging tegelijkertijd een stap verdere verwijdering van het belijden van het joodse geloof inhield.

Herzberg, Kroniek der Jodenvervolging 1940-1945, Querido 1985

A
________________________________________

§ 17. het geld
I
De Reichskommissar had in zijn aanwijzing het volgende bepaald: Es ist beabsichtigt, die Unterhaltung und die Aufsicht der Juden-schulen einem zu gründenden jüdischen Rat zu überlassen. Biss dahin müssen diese Schulen aus öffentlichen Mitteln finanziert werden. Dus kwam het onderwijs aan de joodse leerplichtige kinderen in het eerste schooljaar geheel en al ten laste van de Rijksoverheid en dat was volledig in lijn met de Onderwijswet van 1920, waarbij de bevoorschotting en het declareren door de gemeenten bij ’s-Rijks schatkist was geregeld. Dat ging goed daar waar deze nieuwe joodse scholen feitelijk geen uitbreiding waren op het plaatselijke scholenbestand en dat was eigenlijk alleen in Amsterdam (en in den Haag, Rotterdam en Groningen) het geval. Daar kwamen de meeste joodse scholen immers tot stand door een ‘simpele’ uitruil van joodse en niet-joodse leerlingen en verliep de ‘herschikking’ bijna helemaal ‘budget-neutraal’.
Anders lag dat in de andere gemeenten waar een joodse school noodzakelijk bleek te zijn. Daar betrof het de uitbreiding van de plaatselijke onderwijs-formaties, met bij elkaar ruim 80 leerkrachten en een 30-tal nieuw gehuurde onderwijslocaties. Het is aannemelijk dat de afwachtendheid van de meeste burgemeesters werd ingegeven door hun ervaring met allerlei niet-declarabele kosten vanwege de vele maatregelen die de bezetter inmiddels al had uitgevaardigd. Secretaris-generaal van Dam, van het opvoedingsdepartement kwam de burgemeesters eerst tegemoet door de stichtingsnorm te verlagen naar ‘tenminste ongeveer 40 leerlingen’. Vervolgens ging hij over tot het ‘aanwijzen’ van de gemeenten en gaf hij aan: ‘Het is de bedoeling regels te geven voor de terugbetaling door de Joodsche Raad van wat uit de openbare kas ten behoeve van de Joodsche Scholen is besteed.’ [HNA 21437/00352]
Maar van Dam maakte zichzelf ook zorgen, zoals blijkt uit de brieven die hij aan General-kommissar Wimmer die belast was met het joodse vraagstuk, stuurde. Hij informeerde hem over het systeem van bevoorschotting en declareren telkenjare in januari en juli en gaf aan dat deze extra-uitgaven onmogelijk ten laste van de reguliere onderwijsbegroting van zijn departement konden komen. Er moest dus, vond hij, een extra krediet worden aangevraagd bij de Thesaurier-generaal, ‘ten behoeve van de Joodsche scholen voor gewoon lager onderwijs in gemeenten, welke voor de stichting van een zoodanige school door mij zijn aangewezen.’
Vijf maanden later informeerde van Dam de Beauftragte voor Amsterdam:‘Het was de bedoeling van General-kommissar Wimmer, dat het beheer en de financiering van die scholen zou berusten bij de Joodsche gemeenschap, zoodat de kosten, aanvankelijk voor de Joodsche scholen gemaakt, ten slotte door die gemeenschap zouden worden gedragen.’ [HNA 2.14.37/352] Alleen al uit dat ‘het was de bedoeling’ klinkt door dat van Dam dat geenszins aannemelijk achtte. Niet veel later schrijft hij vertrouwelijk weer aan Wimmer
‘Nu is mij intusschen ter oore gekomen, dat de Duitsche autoriteiten in zooverre wijziging in hun vroegere standpunt zouden hebben aangebracht, dat zij overwegen de kosten ten laste van het Rijk te brengen. Hierdoor zou het Rijk echter voor grooter uitgaven komen staan dan strikt noodig is. De oplossing schijnt mij deze, dat op zeer korten termijn den Joodschen Raad wordt opgedragen een regeling te treffen voor het bekostigen der scholen en wel in dier voege, dat hij daarvoor op de normale wijze van Overheidswege wordt gesubsidieerd’
Aannemelijk is dat van Dam bedoelde de Joodsche Raad aan te merken als een instelling voor bijzonder onderwijs, waardoor op grond van de Onderwijswet, normaal recht op subsidie uit ‘s-Rijk kas zou ontstaan. Waarop [HNA 2.14.37/352] [/size]
Tegen het eind van dat eerste schooljaar lijkt het geregeld te zijn dat de bezetter instemt dat de nieuwe onderwijsuitgaven ten laste van ’s-Rijks kas komen. Dat schreef Ministerialrat Schwartz, die namens de bezetter toezicht hield op het departement, eind juli aan van Dam, maar dan moest men zich wel inhouden met betrekking tot het aantal en omvang van de scholen. Inmiddels was vanaf maart, de concentratie in Amsterdam op gang gekomen en waren vervolgens de transporten naar de vernietigingskampen aangevangen. Desondanks ging de strijd over de onderwijsbekostiging door.

II
De wisseling en tegenstelling in de standpunten over die bekostiging bleef maandenlang het grootste struikelblok voor de overdracht van de scholen aan de Joodsche Raad [zie § 14]. De strijd speelde zich af tussen het departement van Opvoeding en dat van Financiën waar de NSB-er Rost van Tonningen de scepter zwaaide, maar de Secretaris-generaal Karel Frederiks bemoeide zich er ook mee, omdat zijn departement van Binnenlandse Zaken de Judenangelegen-heiten bestierde. Totdat Reichskommissar Seyss-Inquart ingreep en alle aangelegenheden inzake de joodse kwestie opdroeg aan Doktor Werner Schröder de nieuwe Beauftragte für die Stadt Amsterdam, waaronder ook ‘Erziehung und Unterrichts der Juden’ viel. Dat ging gepaard met drie brieven aan de Joodsche Raad, halverwege augustus 1942, waarin de ‘Neuregelung der Verwaltung der jüdischen Schulangelegenheiten und Bildung eines jüdischen Erziehungsfonds’ werd aangekondigd.
Die ochtend dat Sonderbeauftragte Schröder zijn drie brieven liet opstellen vond op het Departement een bespreking plaats met Cohen en van der Velde, als voorzitter en secretaris van het nieuw gevormde Joodse Schoolbestuur. Die raakten daar ervan doordrongen dat de joodse scholen, allemaal én in heel Nederland binnenkort overgedragen zouden worden. De laatste hindernissen waren duidelijk genomen, de Reichskommissar had ingegrepen in de controverse tussen de drie Departementen van Onderwijs, Financiën en Justiz en had besloten tot subsidiëring. Het bedrag stond nu ook vast, 80 gulden per jaar, voor elke leerplichtige leerling.
Die 80 gulden leverde van der Velde, met de 12.500 leerlingen die volgens hem nog aanwezig waren, één miljoen gulden op, terwijl zijn berekeningen erop neer kwamen dat er zo’n 2,5 miljoen nodig zou zijn voor het joodse onderwijs in heel Nederland. De ambtenaren van het Departement van Financiën verzekerden hem echter dat er - naast dat subsidiebedrag, sprake zou zijn van ‘een fonds, dat door de Duitse autoriteiten beschikbaar zou worden gesteld bij de firma Lippmann, Rosenthal & Cie, uit kapitaal dat bij deze firma berust’.[NIOD 182-107/061]
Anderdaags, terug op kantoor begreep van der Velde, uit die brief van 12 augustus, dat het Erziehungsfonds uitsluitend en alleen gevormd zou worden met die 80 gulden per joodse leerling; hij voorzag grote problemen bij de bekostiging van al die joodse scholen in heel Nederland die de Joodsche Raad toegeschoven kreeg.

III
Dat bekostigingsprobleem speelde niet het jaar daarvoor toen Secretaris-generaal van Dam in augustus 1941, de gemeentebesturen opdroeg het onderwijs aan joodse kinderen in aparte scholen onder te brengen. In Amsterdam [en in de andere grote steden, Den Haag, Rotterdam, Groningen waar ook substantiële aantallen joodse leerlingen school gingen] werd dat ambtelijk vooral gezien als een ‘hergroepering’ waarbij vrij grote groepen kinderen van de ene naar de andere school werden overgeheveld, zonder noemenswaardige financiële gevolgen.
Sinds november 1940 toen de joodse leerkrachten moesten vertrekken, kampten de scholen met nogal wat opengevallen plaatsen, die sindsdien deels werden bezet door invallers en kwekelingen. Door die hergroepering van scholen en leerlingen, konden die ontslagen joodse onderwijzers en onderwijzeressen weer worden aangesteld en was het vacatureprobleem in een keer opgelost. Ook werd de kans gegrepen enkele kleinere scholen op te heffen. De hele onderwijsorganisatie waar in Amsterdam zo’n 31 gemeentelijke lagere scholen in betrokken raakten, kon zo feitelijk binnen het bestaande gemeentelijke budget voor het lager onderwijs worden uitgevoerd. In het besluit van 12 september 1941 van de Burgemeester, tot oprichting van de Joodsche scholen wordt immers niet gewezen op enige financiële consequentie voor de gemeentebegroting.
Des te opmerkelijk is dan, dat in het begrotingsjaar 1942 tot drie keer toe afzonderlijke budgetten (kredieten) worden vastgesteld voor het openbare joodse onderwijs, twee keer van 141.000 gulden en de laatste voor het derde kwartaal van 1942 wordt er zelfs 150.000 extra vrijgemaakt, omdat, zo schrijft de Burgemeester op 14 juli 1942 aan Secretaris-generaal van Dam :
‘… waar de stad steeds meer het centrum van het Joodsche onderwijs van het geheele land begint te worden. Amsterdam herbergt vele Joodsche kinderen uit gemeenten, die zelf Joodsche scholen in stand hielden, doch deze wegens het vertrek de gezinnen naar Amsterdam hebben moeten sluiten, waardoor de lasten van Amsterdam zijn toegenomen, terwijl die voor de bedoelde gemeente zijn verminderd.’ [SAA 5191-7530/0661]
Ter toelichting van het eerste krediet in januari 1942 schrijft Burgemeester Voûte:
'Bij het ramen van de uitgaven der Gemeente voor het jaar 1942 werd geen rekening gehouden met de inkomsten en uitgaven van de door de Gemeente ingerichte scholen voor Joodsche kinderen, daar verwacht werd dat deze scholen voor 1 Januari 1942 zouden worden overgenomen door den Joodschen Raad' [SAA Gemeenteblad 1942 afd 1A p 64 en 258]
De motivering van de Burgemeester komt nogal vreemd over, het is immers niet aannemelijk dat het onderwijs aan joodse leerlingen op afzonderlijke scholen, meer kostte dan voordien. Bovendien was het zo, dat de onderwijskosten (openbaar en bijzonder) weliswaar door de gemeenten werden betaald maar vervolgens konden worden gedeclareerd bij het Rijk, zoals dat sinds 1920 in de onderwijswet was bepaald.
En bovendien, bij eerdere reorganisaties van het onderwijs, had de afdeling Onderwijs altijd het motief gehad ‘boventalligheid’ op te lossen. Ook nu, bij de ‘hergroepering’ in september 1941, werden niet alleen de joodse leerlingen herschikt, maar meteen ook enkele probleemscholen gesloten en de gemeente daardoor verlost van een aantal boventallige leerkrachten. Alles bij elkaar was er dus voor de burgemeester geen enkele aanleiding zich er zorgen over te maken dat de joodse leerlingen de gemeentelijke onderwijsbegroting zwaarder zouden belasten dan het jaar daarvoor.
Bij die ‘hergroepering’ (zoals het in het rapport van 29 juli wordt genoemd) waren 31 openbare lagere scholen betrokken, met 181 leerkrachten en 8.025 leerlingen. Vervolgens werden er 17 joodse lagere scholen opgericht met 101 leerkrachten (en 3.983 ll) en bleven er van die 31 slechts 14 algemene openbare scholen over, met 89 leerkrachten en 3.425 leerlingen. 101+89 lk is 200, dwz 19 leerkrachten meer dan voor deze reorganisatie.
Als we de lijst van scholen die in deze reorganisatie werden betrokken bestuderen, ontkomen we niet aan de indruk dat de gemeente dankbaar gebruik maakte van dit moment om een zestal ‘probleemscholen’ die onder de bekostigingsnorm zaten, te sluiten. Toch vertoonde het resultaat een plus 19, dat kan niet allemaal op het conto van de joodse scholen worden geschoven, in de eerste plaats was er hier sprake van het effect van de verlaging van de klasse-norm, zoals de bezetter in maart ’41 had afgekondigd. Van gemiddeld 44 naar 39 leerlingen per klas, dat leverde dus (in moderne termen) aardig wat werkgelegenheid op.
Maar bij die nieuwe joodse scholen, waren er meteen twee met te weinig leerlingen om welke bekostiging dan ook te rechtvaardigen. In Amsterdam West werd één school geopend voor alle joodse kinderen in dat stadsdeel [met in totaal 280.000 inwoners waarvan plm. 3.000 joods, met zo’n 100 lagere schoolkinderen]. De school kreeg een hoofd en twee onderwijzeressen [Mozes Goubitz, Grietje Mol en Sara Stern] maar toen de deuren op 18 september opengingen verschenen er maar 57 kinderen. (volgens de nieuwe klasse-norm zou met twee onderwijzers kunnen worden volstaan). Ook twee Montessori-leidsters op 31 leerlingen op de Montessori-dependance in de Transvaalbuurt was wel aan de royale kant.
[De bekostiging van het onderwijs was een zaak van het Rijk, vastgelegd in de Onderwijswet van 1920. De gemeenten konden de onderwijsuitgaven verhalen op het Rijk, mits voldaan werd aan de regels, zoals die golden tav de leerlingen-norm.
Die norm was door de bezetter per maart 1941 verlaagd naar gemiddeld 42 leerlingen per onderwijzer, met een maximum van 255 ll op de zes leerjaren [was daarvoor 285].
Voor het goede begrip, het werkte zo : daalde het aantal leerlingen onder die 255 dan was één van de zes leerkrachten ‘boventallig’ en werd (in principe) diens ‘wedde’ niet door het Rijk vergoed en kwam dus ten laste van de Gemeentekas.
In het schooljaar 40/41 waren dat in Amsterdam zo’n 38 leerkrachten in het lager onderwijs. Dat daalde na de invoering van de nieuwe schaal naar 8, maar in december 1941 waren het er alweer 23, mede veroorzaakt door de herschikking van de scholen ivm het vertrek van de joodse leerlingen en de oprichting van de nieuwe gemeentelijke joodse scholen.]
[SAA 5191-7381/2129]

images/docs/opheffen_en_oprichten.pdf OPHEFFEN en OPRICHTEN

IV
Tachtig gulden per leerling voor het hele schooljaar, daar werd onderwijschef Isaac van der Velde dus mee geconfronteerd. In de maanden daarvoor had hij een begrotingsproeve laten opstellen die uitkwam op zo’n 2,5 miljoen en nu werd het hem duidelijk dat het joodse onderwijs afgescheept ging worden met minder dan de helft. Bovendien verschoof de wijze van bekostiging van de reguliere leerkracht-gerelateerde financiering, zoals in de onderwijswet was vastgelegd naar een bedrag per leerling. Vanzelfsprekend dat dat enorme verschillen ging leveren, want zeker in het bijzonder onderwijs en bij de nijverheidsscholen was het aantal leerlingen per leerkracht vrij klein, waardoor er daar sprake was van relatief grote schoolteams.
uit de Onderwijswet 1920 (versie 1936)
Art. 56. 1). Over elk dienstjaar vergoedt het Rijk aan de gemeente de jaarwedden der hoofden en der volgens de artikelen 27 en 28 verplichte onderwijzers, alsmede de jaarwedden of wedden van hen, die overeenkomstig artikel 41 zijn aangewezen voor tijdelijke waarneming ener betrekking van onderwijzer of van hoofd der school. Wanneer verplichte meer onderwijzers aan een school zijn verbonden, wijzen burgemeester en wethouders volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen aan, wie tot het wettelijk verplicht aantal behoren; deze aanwijzing geldt voor het verdere deel van het jaar. Van deze aanwijzing wordt aan belanghebbende mededeling gedaan 2). In bijzondere gevallen, den Onderwijsraad gehoord, kan de in het eerste lid bedoelde Rijksvergoeding voor een jaar of een gedeelte van een jaar worden verleend voor één of meer onderwijzers boven het in dat lid bedoelde aantal.
Natuurlijk is er op de cijfers van van der Velde wel wat af te dingen. Het punt was dat de calculaties waren gebaseerd op gemiddelde bedragen per type onderwijs, vermenigvuldigd met de landelijke leerlingenaantallen die de toenmalige onderwijscommissie van de Joodsche Raad in januari 1942 ter beschikking had. Maar zeker sinds in juli de transporten waren aangevangen, mocht hij er van uit gaan dat zijn cijfers niet meer klopten. Hij had er wellicht beter aan gedaan zijn berekeningen te baseren op Amsterdamse cijfers. Het gemeentelijke krediet voor de eerste drie maanden was 141.000 gulden, en dat gedeeld op het aantal in januari 1942 in het Amsterdamse openbare joodse onderwijs aanwezige kinderen ( 5.347) leverde een bedrag van ruim 26 gulden op, voor drie maanden. Dat week dus niet zoveel af van die 80,- per jaar, waar hij zo van geschrokken was, maar wel van het gemiddelde rond de 200 gulden waar hij in zijn begrotingsproeve op uit was gekomen.
We weten overigens niet wat in dat Amsterdams krediet wel en niet aan kosten was meegenomen; wel weten we dat de gemeente een paar maanden later bij de Joodse Raad een rekening neerlegde van fl. 48.409,08 voor de onderwijsuitgaven, ná 31 augustus 1942; dus betreffende de periode tot de overdacht begin december, daar zat ook het onderhoud bij en verwarming en verlichting)
Hem restte niets anders dan de leerlingen, die per september 1942 ‘zwischen den 1. September 1927 und dem 31. August 1935 geboren sind’ *op een rijtje te krijgen om vervolgens die als maatstaf te laten accepteren door de ambtenaren op het Departement van Financiën, want die ging zoals in Schröder’s brief van 12 augustus stond, de betaling van dat subsidie op bank Lippmann doen.
Bij de vaststelling van de aantallen deed zich nog een apart probleem voor, de bezetter bij monde van de Sonderbeauftragte, hanteerde het begrip ‘jüdischer Volksschüler’ en in eerste aanleg werden daar niet de leerlingen in het Middelbaar, Hoger en Nijverheids-onderwijs onder verstaan.
Hier wreekte zich het verschil tussen het Duitse en Nederlandse onderwijsbestel, maar van der Velde verwees uitdrukkelijk naar de Nederlandse leerplichtwet en dat er een toezegging was dat de bekostiging zou gelden voor kinderen tussen het 7e en het 15e jaar. Zo kwamen er nog eens 1.295 kinderen bij, dat werd vastgesteld door het Departement van Financiën. Uiteindelijk kwam het leerlingen-aantal geteld per 1 september 1942, uit op een totaal van 8.712 [6.670 (lo) + 747 (ulo) + 1295 (vhmo en no)]. Ondertussen was al 300.000 gulden op de rekening bij Lippmann gezet, dus werd door het Departement besloten dat aan te vullen tot 348.480,- voor het eerste halve jaar.
Maar halverwege januari 1943 ontstond opnieuw onduidelijkheid; het Onderwijsbureau had her en der in het land nog 100 kinderen gevonden, die dus moesten worden toegevoegd, waarop het bedrag voor het eerste halfjaar weer werd bijgesteld. Vervolgens wilde van der Velde op 1 maart 1943 ook nog de kinderen in ‘de kampen’ toevoegen; dat waren er in Westerbork 1005, in Vught 150 en in Barneveld, 30. Althans dat waren de schattingen; ik denk dat het dubbelingen waren, die kinderen waren immers eerder elders meegeteld. Het Departement hield het dan ook op die 8.712, voor het eerste half jaar.
Het was toen al maart 1943 en kwamen de cijfers voor de tweede helft van het schooljaar binnen; 4.484 waren er geteld, in het lager onderwijs. Een jaar eerder was dat nog het dubbele. Ook nu was er weer verwarring over de aantallen en werd het uiteindelijk vastgesteld op 5.213 leerlingen in het hele land, wat zo’n twee ton opleverde om het schooljaar af te maken.
Latere correcties zijn niet aangetroffen; ik denk dat de ambtenaren het bij die 5.213 hebben gelaten, beseffende dat het binnen een paar maanden best wel eens afgelopen zou kunnen zijn. Buiten de grote steden waren immers bijna alle scholen al gesloten; wat restte was het onderwijs in Amsterdam, waar ook de laatste kinderen uit de Mediene inmiddels waren gecentraliseerd.

images/docs/scholen__leerlingen_1942-1943.pdf SCHOLEN en LEERLINGEN

V
Ondertussen was de overdracht vrij geruisloos verlopen en draaiden de scholen in januari 1943 gewoon door. Maar nog voor de wintervakantie van 42/43 [‘kerstvakantie’ had voor de joodse scholen afgedaan] was een vrij forse reorganisatie doorgevoerd, waarover Onderwijschef van der Velde begin januari aan de voorzitters van de Joodsche Raad schrijft:
'De financiële gegevens, die het Bestuur [het bestuur van het joodse Onderwijs in Nederland] tijdens de overname van het onderwijs in de verschillend gemeenten ter beschikking kwamen, gaven het Bestuur aanleiding met grote spoed verschillende reorganisatie-maatregelen te nemen.
Het onderwijs, dat door de gemeenten in het algemeen gesproken, op lofwaardige wijze was georganiseerd, kon onmogelijk in de bestaande omvang worden gehandhaafd, aangezien de organisatie daarvan nog niet was aangepast aan het sterk verminderde aantal leerlingen.
Met ingang van 1 december j.l. zijn verschillende scholen opgeheven of samengevoegd, waardoor een besparing op de kosten kan worden verkregen.
Benevens is het Bestuur van oordeel, dat ook de bij de gemeenten bestaan hebbende salariëring van het personeel, niet op dezelfde voet als tot dusver kan worden gehandhaafd. Bovendien bestaan er grote verschillen in de salarisregelingen van de verschillende gemeenten.’

[NIOD182-163/051]
Wat van der Velde niet in dit verslag vermeldt, zijn de zorgen over de kosten van het Onderwijsbureau van de Joodse Raad, dat juist op advies van het Onderwijs-departement stevig was uitgebouwd. De uitgaven voor het bureau beliepen ondertussen ruim 1.000 per maand, alleen al aan personeel, dat kon dus echt niet uit het subsidiebedrag per leerling en daar ontstond een kleine strijd met voorzitter Cohen.
Van der Velde had juist aldoor gepleit, al vanaf de opheffing van de Centrale Commissie, [zie § 13] voor de zelfstandige positie van zijn onderwijsbureau en het nieuwe joodse schoolbestuur binnen de vrij logge en bureaucratische organisatie van de Joodsche Raad. Maar nu, gelet op het beperkte subsidie voor het onderwijs, zou hij toch graag zien dat de apparaatskosten (tegenwoordig heet dat ‘overhead’) door de Raad worden gedragen.
[Onduidelijk is dan hoe de organisatie van de Joodse Raad zelf, met zo’n achthonderd medewerkers werd gefinancierd; subsidie van het Rijk zat er niet in, dus betaalde de joodse gemeenschap er zelf voor. De Jong rept (V p 527) van een ‘belasting’ die Joodse burgers aan de Raad moesten betalen, maar dat kan vast niet voldoende zijn geweest bij zo’n groot personeelsbestand. Ook Presser (vanaf p 492) heeft het over een ‘verplichte bijdrage’ maar zijn verhaal is - ook hier, nogal warrig]
De discussie duurt voort tot in de vergadering van half januari 1943, waarin van der Velde stelt dat er geen geld is om de januari salarissen te betalen en dat hij zich afvraagt of het wel gerechtigd zou zijn om bureaukosten uit het onderwijs-subsidie te betalen.
Maar de Financiële Commissie van de Raad geeft geen krimp, de salarissen worden dan wel voorgeschoten, maar regulier het budget voor het bureau buiten de onderwijsbegroting plaatsen, zoals van der Velde voor ogen heeft, dat geeft geen pas, wordt geconcludeerd. De discussie verplaatst zich naar de benoemingen van het onderwijspersoneel; als de Raad betaalt, beslist die vanzelfsprekend ook de benoemingen. Dat gaat van der Velde te ver, waarop hij verzucht dat het spijtig is dat indertijd niet is gekozen voor een echt zelfstandige stichting voor het Joodse Onderwijs, dat had wel de instemming van de bezetter, maar ook toen lag de Raad, bij mondde van voorzitter Cohen, dwars.
Uiteindelijk werd besloten, het was toen al 4 maart 1943, af te wachten wat het financiële resultaat van het joodse onderwijs over de afgelopen maanden zou zijn. De afrekening over die eerste periode waar van der Velde op wilde wachten, is er waarschijnlijk nooit gekomen, terwijl in de vergadering van het schoolbestuur van 17 juni, besloten werd het onderwijsbureau drastisch te reorganiseren, omdat talloze medewerkers verdwenen waren.

VI
Zoals van der Velde in zijn verslag in januari schreef, werden er meteen bij de overdracht begin december, een aantal scholen opgeheven of samengevoegd, waardoor een besparing op de kosten werd verkregen.
In Amsterdam betrof dat uitsluitend die scholen die september 1941 door de gemeente waren opgericht. Het nieuwe joodse onderwijsbestuur voegde deze 19 scholen samen tot 14. Zo verdween er in de ‘Oude Jodenbuurt’ een van de vier, dat was wel vanzelf-sprekend daar het leerlingental daar, was teruggelopen met 300 leerlingen; zo’n beetje een hele school dus. Terwijl de drie scholen in de Rivierenbuurt, waar inmiddels zo’n 250 kinderen verdwenen waren, samengevoegd werden tot twee, bovendien samen in één schoolgebouw.
De enige niet-gemeentelijke school die gesloten werd was het schooltje van het weeshuis Megadle Jethomiem, de zestig leerlingen die er daar nog waren verhuisden naar de Talmud Tora school in de 2e Boerhaavestraat, samen met hun hoofdonderwijzer meester Bruin. Vervolgens werden de vier bijzondere scholen aangepakt; door het samenvoegen van de relatief kleine klassen, konden er daar vijf onderwijs-banen worden geschrapt.
Het effect van dit alles was dat in Amsterdam het totale lager onderwijs-corps meteen na de wintervakantie 42/43 verkleind was van 151 docenten naar 107 [van 114 naar 81 bij de ‘openbaren’ incl blo en vglo, en van 37 naar 26 bij de confessionelen].
Voor het onderwijsbudget pakte dat positief uit, want terwijl er eerst gevreesd werd voor aanzienlijke tekorten op basis van die 80 gulden per leerling, bleek al snel dat de aan de reorganisatie aangepaste begroting sluitend was, zoals de Begrotingscommissie van de Joodse Raad met voldoening vaststelde in haar 2e aanbiedingsbrief van 5 januari 1943.

images/docs/onder_beheer_Joodse_Raad.pdf ONDER BEHEER van de JOODSCHE RAAD

notitie LAGER ONDERWIJS REORGANISATIE
lager onderwijs reorganisatie
Half november 1942 presenteerde Isaac van der Velde het reorganisatieplan voor de Amsterdamse scholen. Het doel was een aanzienlijke bezuiniging te bereiken, zowel door het verminderen van het aantal onderwijs-locaties, als het terugdringen van het vrij grote personeelsbestand, dat was overgenomen van de Gemeente en van de verschillende schoolbesturen. Voor de openbare lagere scholen hanteert hij in dit rapport een wijkenstelsel, dat echter niet helemaal overeenkomt met de Judische Viertel indeling van de bezetter.
Wijk I
Oude Joodenbuurt, Plantage en Weesperbuurt

scholen 1, 2, 3, 4
Bij aanvang zaten er ruim 1.000 kinderen op deze vier scholen tezamen. Najaar 1942 zijn dat er nog 755, waarvan 222 op school 4 Deze school neemt, sociaal gezien, een aparte plaats in en het verdient daarom aanbeveling deze school in tact te houden (Ik denk dat vdV bedoelt dat de leerlingen op deze joodse school, gelet op de ligging van de school, uit een beter milieu kwamen dan die op de drie scholen in de oude joodse buurt).
School 2 met 157 leerlingen kan verdwijnen, de kinderen kunnen worden verdeeld over de scholen 1, 3, en 4 met dien verstande, dat de kinderen uit het beste milieu afvloeien naar school 4\'.
Van de 25 leerkrachten op die 4 scholen, worden er 19 overgenomen.
Wijk III
Oosterpark- en Transvaalbuurt

scholen 5, 6, 7, 8, 9
Hier zaten september 41 ruim 1.300 kinderen op school; najaar \'42 zijn dat er nog 875. Gecombineerd kunnen worden school 5 en 6 - Sparrenweg, met in totaal 321, maar de dependance in de van Swindenstraat met 71 ll moet wel gehandhaafd worden. De scholen 7, 8 en 9 (554 ll) kunnen worden gecombineerd, school 9 wordt dan opgeheven en van de 154 ll gaat een deel naar Sparrenweg. School 8 in de Pres. Brandstraat kan ook kinderen uit wijk II opvangen (dwz van over de Berlagebrug).
Van de 35 leerkrachten op die 5 scholen, worden er 23 overgenomen.
Wijk II
Rivierenbuurt

scholen 10, 11, 12
In september 1941 startten deze scholen met 791 kinderen. De 614 die er nu zijn kunnen worden geconcentreerd in twee zevenman-scholen in de Jekerstraat met 14 lokalen. Maar een deel kan de Berlagebrug over naar school 8 in de Pres. Brandstraat, terwijl een ander deel naar de Jan van Eyckstraat kan.
Van de 20 leerkrachten op deze 3 scholen, worden er 14 overgenomen
Buiten deze drie wijken zijn er dan nog 3 scholen,
Op school 13 in de Jan van Eyckstraat met 326 kinderen, moet één van de 8 leerkrachten vertrekken; het leerlingental is nu 229.
De school 14 (West) en school 15 (Noord) worden opgeheven - het onderwijs moet worden voortgezet in een lokaal in particulier bezit (resp. van 57 naar 25 en van 24 naar 15 ll).
Van de 3 + 2 leerkrachten, gaan er 1 + 1 mee.
Montessorischolen
school 16 en 17 (in drie gebouwen)
De dependance Smitstraat wordt samengevoegd met vestiging Boerhaavestraat (4 groepen 154 ll) en de school aan het Willinkplein blijft met twee groepen en 67 ll, maar de twee vestigingen worden (weer) één school met tezamen 221 leerlingen en dus 6 leerkrachten (dat waren er vanaf december 1941, 9).
VGLO en BLO
De school voor Voortgezet Lager Onderwijs (een tweejarig vervolg op de lagere school), met één klas gevestigd in de Smitstraat, telde zon 60 leerlingen (13/14 jarigen) met 3 leerkrachten; die ging terug naar 35 kinderen en 1 onderwijzer en verhuisde bovendien naar een lokaal van de joodse kleuterschool in de Joubertstraat (Transvaalbuurt).
De school voor buitengewoon onderwijs met vestigingen aan de Plantage Muidergracht (debielen) en de Joubertstraat (imbecielen) met 160 kinderen, liep terug naar 125 en twee van de 10 leerkrachten raakten zonder werk.
Confessionele scholen
Dat betreft de twee Kennis&Godsvrucht-scholen Herman Elte en Palache, in september 1941 630 kinderen, telde najaar 42 resp. 280 en 260 leerlingen. De 16 leerkrachten moeten terug naar 13.
Terwijl de twee Talmud Tora-scholen met eerst zon 550 leerlingen, tellen er nu, resp. 200 en 170. De 13 leerkrachten moeten terug naar 11.
De 51 leerlingen van de Weeshuisschool, die opgeheven wordt, gaan allemaal naar de Talmud-Tora-A in de Dapperbuurt. Alleen het hoofd van die school wordt openomen binnen die formatie van die school.
De Joodse school van de Ver. O&O, in de Falckstraat blijft (nog) ongemoeid. Vermoedelijk waren er daar toen zon 70 kinderen en 3 (Montessori-) leerkrachten.
Het hele openbare lager onderwijs ging zodoende terug van 114 leerkrachten bij aanvang schooljaar 42/43 naar 81 per december 42 en het bijzonder lager onderwijs van 37 naar 26. In totaal zou er zo sprake zijn van een bezuiniging van 44 leerkrachten in het lager onderwijs (incl vglo en blo). Met 20 locaties in plaats de 28 die er sinds september 1941 waren.
[bestudeer ook tabel onder beheer van de Joodsche Raad]

NIOD 182-108/013 ev en 137/005 reorg. Bijz onderwijs
NIOD 182-108/250 en 0251 - reorg. Openbaar onderwijs

VII
Meteen in oktober ‘42 presenteerde van der Velde zijn eerste onderwijsbegroting aan het schoolbestuur, gebaseerd op die 80 gulden per leerling. Het bestond uit twee delen; het eerste voor de periode september-december, sloot met een tekort van 90 duizend en het tweede deel voor de aansluitende maanden tot maart 1943, vertoonde een tekort van 21 duizend; totaal dus ruim een ton in de min op een begroting van 4,5 ton voor dat eerste half jaar. Ter toelichting schrijft de Begrotingscommissie:
‘Het hierbij gaande ontwerp is dientengevolge slechts een ruwe benadering der kosten, waarbij, wat het aantal leerlingen, het aantal scholen en de aan die scholen verbonden leerkrachten betreft, aangenomen is, dat de toestand, zoals die omstreeks September 1942 bestond, gedurende het gehele schooljaar gehandhaafd zal blijven. Vast staat, dat deze premisse onjuist is, maar als wij anders gehandeld zouden hebben, zouden wij vooruit gelopen zijn op beslissingen, die nog genomen moeten worden.’
[NIOD 182-163/52]
Op een uitgetypt en zes kwartovelletjes lange versie van deze begroting, zijn in potlood in de beide marges aanpassingen van de getypte bedragen geplaatst. In de linker marge zijn het nieuwe cijfers voor de onderwijsperiode december- maart, terwijl de bijgeschreven cijfers aan de rechterzijde blijkbaar dienden als eerste proeve voor een begroting voor de rest van het schooljaar. Uit de reconstructie van al dit gecijfer [zie bijlage] valt af te lezen dat de begroting voor de eerste drie maanden vanaf de overdracht, mede door de bezuinigingen, sluitend en uitvoerbaar was.
Maar dat gold niet voor de daaropvolgende periode: maart-april-mei 1943. Uit de cijfers die in potlood zijn bijgeschreven op die getypte versie, blijkt dat er in die drie maanden afgestevend zou worden op een tekort van 50.000 op een begroting van 160.000, met ongeveer de helft van de leerlingen ten opzichte van de voor de eerste periode gehanteerde aantallen.
Anders was het gesteld met de begroting voor de maanden september-november 1942, immers het toegezegde subsidie gold vanaf 1 september van dat schooljaar. Over die drie maanden werd het grootste deel van het totale tekort van 111.000 geraamd, 90 duizend gulden - over een periode die volledig onbeheersbaar was voor het nieuwe Joodse schoolbestuur. De werkelijke overdracht van het onderwijs vond immers pas plaats op 6 december; tot die datum waren de scholen onder het beheer van de gemeente gebleven, aan wie het pas vanaf november verboden was nog langer voor het joodse onderwijs uitgaven ten doen.
Vanzelfsprekend declareerde de gemeenten de kosten over die eerste maanden bij de Joodsche Raad. Dat deed niet alleen de Amsterdamse burgemeester Voûte, maar tal van burgemeesters in de andere plaatsen waar de gemeenten het joodse onderwijs hadden verzorgden, kwamen ook met een rekening aanzetten. Onderwijschef van der Velde becijferde dat in de balans over het eerste kwartaal tot een totaalbedrag van 180.000. In zijn toelichting haalde hij ‘het geval Haarlem’ aan, waar de gemeente over de eerste twee maanden ruim 7.600 had uitgegeven aan de joodse lagere school en het joods lyceum aldaar, terwijl de 75 Haarlemse leerlingen tezamen slechts goed waren voor een bedrag van 6.000 voor het hele schooljaar.
Burgemeester van Amsterdam maakte het helemaal bont door eind mei 1943 ijskoud een rekening te presenteren van bijna 50 duizend (waarvan bijna de helft voor het lager onderwijs), met het verzoek dat even snel te betalen, het gemeentegironummer staat er zelfs bij vermeld.
Terwijl in het voorjaar van 1943 de financiële aspecten van het joodse onderwijs onder de Joodsche Raad eindelijk een duidelijke vorm begonnen te krijgen, veranderde de situatie van de joodse scholen dramatisch. De transporten sloegen steeds groter gaten in onderwijsteams en leerlingenpopulatie, zodat eind mei tot een nieuwe reorganisatie werd overgegaan. [financiële gegevens daarvan ontbreken helaas].
Tot in de laatste dagen van het Joodse Onderwijsbureau - september 1943, zaten van der Velde en Aa in hun maag met al die betalingsverzoeken van de ruim 35 betrokken gemeenten. Het beliep ondertussen in totaal zo’n 180-duizend gulden alléén al voor de eerste drie maanden van dat tweede schooljaar, en dat was best wel veel geld in die dagen.
En als de aanmaningen van de gemeenten aan het adres van de Joodsche Raad als onbestelbaar retour komen, wendde de Vereniging van Nederlandse Gemeenten zich tot Secretaris-generaal van Dam, waarop die liet weten dat de onderwijskosten voor de cursus ‘41-’42 om ‘practische redenen’ niet verhaald kunnen worden op de Joodsche Raad.
Uiteindelijk komt het erop neer dat iedereen door de bezetter met een kluitje in het riet werd gestuurd en de gemeenten opdraaiden voor de kosten zonder die verrekend te krijgen door het Rijk; zelfs na mei 1945 vingen de gemeenten bot bij de nieuwe Onderwijsminister. [lees verder bij § 22 en § 23]

§ 18. de organisatie en de regels
I
Met de aanwijzing door de Reichskommissar in augustus 1941, werd eigenlijk een nieuw type school aan het Nederlandse onderwijsbestel toegevoegd. Er waren openbare scholen en daarnaast scholen voor bijzonder onderwijs, geworteld in een van de in Nederland voorkomende geloofsstromingen rooms-katholiek, protestants en joods. Daarnaast bestonden er ook bijzondere scholen op neutrale grondslag, zoals die van de schoolvereniging voor onderwijs en opvoeding, die de Wilhelmina Catherina school aan de Amsterdamse Weteringschans beheerde. Sinds de onderwijswet van 1920 waren al deze scholen volledig gelijkgesteld aan het van overheidswege georganiseerde openbare onderwijs en werden ook door het Rijk bekostigd.
In zijn aanwijzing schrijft Seyss-Inquart dat de leerlingen moeten worden samengebracht in ‘Judenschulen’ waarvan ‘die Unterhaltung und die Aufsicht’ aan een ‘jüdischen Rat’ overgelaten moet worden. Een vorm van onbekostigd onderwijs dus en niet voor ieder kind toegankelijk. En zo ontstond per september 1941 een nieuwe type onderwijs : de ongesubsidieerde school voor joodse kinderen, weliswaar voorlopig gefinancierd uit de openbare kas, maar zoals van Dam verklaarde, niet belemmerd door wettelijke regels tav vrije schoolkeuze, gehuwde onderwijzeressen en groepsgrootte. En die ‘vrijheid’ hadden de gemeentelijke ambtenaren, die in eerste aanleg deze scholen moesten faciliteren hard nodig.
Zodra de Burgemeester de scholen had aangewezen, konden de leerkrachten worden geworven. Het moesten er 102 zijn, voor die 17 nieuwe gewone lagere scholen. Er werd uiteraard eerst geput uit het ‘reservoir’ van die 133 die in maart 1941 waren ontslagen [lees § 2]. 82 van hen was werkzaam geweest op een gewone lagere school en kwam dus voor herbenoeming in aanmerking. Uiteindelijk werden er van hen 73 aangesteld. [De andere ontslagen leerkrachten waren vakleerkrachten of kleuterjuffen of werden benoemd op de nieuwe joodse ulo, de b.l.o.-school of de joodse school voor voortgezet lager onderwijs - een schooltype dat toen al bijna helemaal uit de gratie was in Amsterdam].
Er bleven daarna nog zo’n dertig vacatures over, zodat de Afdeling Onderwijs op zoek ging naar voormalige onderwijzeressen, die vanwege hun huwelijk ontslagen waren, zoals dat in de onderwijswet was bepaald :
Artikel 38 – lid 5.1 van de onderwijswet van 1920 stelde dat ‘de onderwijzeres ontslagen wordt per dag volgend op die van haar huwelijk’. (die bepaling werd pas in 1957 geschrapt)
De ‘Duitsche autoriteiten’ hadden, zoals Secretaris-generaal van Dam al laten weten, geen bezwaar tegen een getrouwde onderwijzeres voor klas, mits zij maar van joodschen bloede was.
Nadat ook die waren benoemd bleven er nog een paar vacatures over en daarvoor werd een beroep gedaan op enkelen van de joodse tijdelijken, die sinds najaar 1940 gewoon niet meer waren opgeroepen voor een invalklus.
[In die jaren was het gewoon dat een pas-gediplomeerde leerkracht eerst ging tijdelijken en zo ervaring opdeed op tal van scholen. Tegenwoordig noemen we dat de ‘flexibele schil’ rond het vaste werknemersbestand; in de jaren dertig was het heel gewoon dat je als onderwijzer vele jaren moest 'tijdelijken' voor je aan de beurt was voor een vaste benoeming]
En zo lukte binnen een paar weken de schoolteams op alle nieuwe Amsterdamse joodse scholen compleet te krijgen.

In het gemeentelijk jaarverslag 1941 wordt van deze operatie kort verslag gedaan

nieuw geopende joodse scholen
gegevens per eind december 1941 :
aantal gewone lagere scholen 17
aantal klassen 102
jongens 1.992, meisjes 2.012, totaal 4.004
(waarvan Montessori : 349 leerlingen 155 j en 194 m)
hoofden m 13 en v 4
onderwijzers m 28 en v 56 en kwekelingen v 1
en 20 vakleerkrachten
de klasbezetting was met 39.3 hoger dan toen gebruikelijk was (36.7)

II aanstellingsbeleid
Een ander uitvloeisel van de bijzondere status die Van Dam de nieuwe scholen toestond, zat in het aanstellingsbeleid. Tenminste 73 van die 102 benoemde joodse leerkrachten had een aanmerkelijke staat van dienst in een vaste betrekking op een openbare lager school in Amsterdam. Ondanks dat kregen ze allemaal een aanstelling in de aanvangsschaal; gelijkgesteld aan die van de jonge tijdelijken leerkrachten en dat gold evenzo voor de herintredende gehuwde onderwijzeressen. Bovendien kregen ze een tijdelijk contract voor slechts voor zes maanden, tot maart 1942; alleen de nieuw aangestelde schoolhoofden werden voor het gehele schooljaar aangesteld. Ten stadhuize gingen ze er van uit dat de overdracht aan de Joodsche Raad, zoals Seyss-Inquart in zijn aanwijzing had bepaald, binnen die termijn geregeld zou zijn. Maar in maart 1942 was er van een overdracht bepaald nog geen sprake, zodat de Afdeling Onderwijs genoodzaakt was al die zesmaands contracten, met een zelfde periode te verlengen. Ook bij de aanvang van het nieuwe schooljaar, woensdag 12 augustus 1942, was de overdacht nog geen feit, waarop de tijdelijke benoemingen opnieuw werden verlengd en zelfs een paar joodse net-gediplomeerde onderwijzers een aanstelling kregen, in een van de vacatures die ondertussen al waren ontstaan
Pas ruim twee maanden na de aanvang van het nieuwe schooljaar kregen al die leerkrachten op 12 november 1942, een brief van de burgemeester:
‘Krachtens mededeeling van den Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken zullen de gemeentebesturen met de in het vorige jaar van gemeentewege opgerichte scholen geen bemoeiingen meer mogen hebben.
Als gevolg hiervan zullen deze scholen overgedragen worden aan den Joodschen Raad, die het volledige beheer over de scholen zal voeren De overdracht zal plaats vinden op 16 November a s
Aangezien van uw diensten bij de Gemeente, ingaande 16 November a s geen gebruik meer zal behoeven te worden gemaakt, is het tijdelijk dienstverband bij de Gemeente op dien dag beeindigd Gij zult dan, voorzoover de Joodsche Raad van Uw diensten gebruik meent te kunnen maken, overgaan in dienst van dezen Raad’
[NIOD 182-153/104]

image.jpeg

Bureau Afdeling Onderwijs - Prof. Tulpstraat 17
foto Johan de Haas © - 1942 - iov de Joodsche Raad


III onderwijsorganisatie

In de maanden daarvoor was er op twee niveaus overleg gevoerd; enerzijds met hoge ambtenaren op het kabinet van de Secretaris-generaal, door Joodsche Raad voorzitter Cohen en de chef van het joodse onderwijsbureau Isaac van der Velde [lees § 14] en anderzijds met de gemeentelijke Afdeling Onderwijs, onder leiding van bureauchef mr. de Roos, met Isaac van der Velde en zijn secondant, bureausecretaris Herman Aa.
In dat Haagse overleg ging het vooral over de omvang van de overdacht en de bekostiging. Het overleg met mr. de Roos was vooral gericht op de praktische aspecten van overdracht van de Amsterdamse scholen, de leerlingen en leerkrachten t/m de school-schoonmakers, die uiteraard, evenals schoolarts en schoolzuster, ook allemaal van joodschen bloede moesten zijn.
In beide overleggen kwam de noodzaak van een solide onderwijsorganisatie vanzelfsprekend aan de orde. En, alhoewel van der Velde onderwijsinspecteur in Groningen was geweest en er nog wel wat bureaumedewerkers ook regelrecht uit het onderwijs kwamen, was er nauwelijks ervaring met de materie van gezag, beheer en personeel. De bureaubezetting die in eerste instantie bestond uit een chef (directeur van de afd. onderwijs) (Isaac van der Velde); een 1ste secretaris (Herman Aa); twee onderwijsafdelingschefs (een voor het Middelbaar- en een voor het Lager Onderwijs); zeven administratieve krachten; vier typisten; een archiefbeambte; een jongste bediende; een conciërge, werd in het licht van de overdracht verder uitgebreid tot zo’n vijfendertig personen.
De organisatie werd opgedeeld in een aantal stevige sectoren, in vier verschillende gebouwen, waarbij het adres in de Prof .Tulpstraat 17 het hoofdkantoor was. Er zaten ook afdelingen in de Jekerstraat 86 (administratie en financiën), op de Nicolaas Witsenkade 14 (personeelszaken en schoolmaterialen), en aan Plantage Parklaan 9 (leerlingenzaken), daar zat ook het bureau voor het bijzonder onderwijs, dat weliswaar met een afzonderlijk bestuur, in de praktijk functioneerde als een afdeling van het Joodse onderwijsbureau.
Meteen in september 1942 installeerde de Joodsche Raad ook een tweetal adviesorganen voor het onderwijs. Het ‘College van Advies voor Juridische, Fiscale en Financiële Vraagstukken’ met als eerste opdracht een rechtspositie- en salarisreglement te ontwerpen. Terwijl het ‘College van Advies voor Onderwijs-Technische Vraagstukken’ tot taak kreeg het reorganisatieplan en de reglementen en instructies te beoordelen.

notitie ORGANISATIE JOODSE ONDERWIJS

Het bestuur van het Joodse Onderwijs in Nederland
werd vanaf october 1942 gevormd door:
prof. dr. D Cohen, voorzitter
Edu Spier, plaatsvervangend voorzitter
opperrabbijn Philip Frank, lid na febr. 43 opgevolgd door Simon Dasberg, waarnemend opperrabbijn van Amsterdam.
Izak Jacobson, lid
Isaac van der Velde, secretaris tevens belast met de dagelijkse leiding van de Afdeling

De Afdeling [lees het Onderwijsbureau van de Joodsche Raad] bestond uit een aantal afdelingen:
Secretariaat met J.H. Aa en drs. mr. H. Wolff
Administratie met mr. J.J. van der Velde, Th.M. van der Beugel en mr. dr. B. Stokvis
Financiën met drs. I. Kleerekoper en L. Witzenhausen
Toezicht met A. Bartels (algemeen onderwijsinspecteur),
prof. ir. D. Dresden (inspectie nijverheidsonderwijs) en N. Dasberg (inspectie Joods Cultureel Onderwijs)
Cursuswerk met drs. J.A. Coltof en I. Santcroos
Buitenschoolse jeugdzorg met S. Broekman en J.S. Frank
Sociaal-paedagogische zorg met mevr. mr. R. Friedmann- van der Heiden
(vanzelfsprekend hadden al deze afdelingen de nodige secretaressen, typisten en postverzorgers)

Er waren vier commissies ter advisering
De Algemene Advies Commissie (eerdergenoemd College van Advies Juridische en Financiële vraagstukken) met van den Bergh, Jacobson en van der Velde.
De Commissie van Advies voor Onderwijs-technische vraagstukken met Bartels als voorzitter, Herman Aa als secretaris en als leden de leerkrachten Dien Hamburger-Monas (school nr 8), Marie Eveline Lyons (kweekschool), Suze de Vries (van Det nijverheidsschool), Salomon Elte (rector lyceum), Jerohm Hartog (hoofd school 7), Hartog Jacobs (directeur confessionele HBS), Adolf de Jong (Mulo), Henri Leuvenberg (Talmud Tora-A), A. D. Mesritz (directeur Davids nijverheidsschool) en Dane Simons (hoofd Mulo).
En dan waren er nog afzonderlijke (werk-)commissie voor de Buitenschoolse jeugdzorg olv van der Velde en Sociaal Paedagogische zorg ook met van der Velde als voorzitter.

[Het schoolbestuur was in feite een onderraad van de Joodsche raad voor Amsterdam. De besluitkracht van het bestuur was heel beperkt, alles moest gesanctioneerd worden door de Joodsche Raad, dat ging meestal in een moeite door, daar schoolbestuur-voorzitter Cohen immers de voorzitter van de Joodsche Raad was en in de vergaderingen van het schoolbestuur de belangen van de Raad duidelijk liet meewegen.]

IV salarisregeling
Het eerste dat geregeld moest worden, waren de salarissen.
De overdracht betrof ruim 80 scholen en schooltjes in zo’n dertig gemeenten in Nederland met zo’n 500 leerkrachten, driekwart was werkzaam in het lager onderwijs.
Voorheen waren er afzonderlijke salarisregelingen van het Rijk, voor het voorbereidend onderwijs, het lager en het voortgezet lager, het nijverheidsonderwijs en het voortgezet middelbaar en hoger en de kweekscholen en hadden de confessionele scholen ook nog een afzonderlijke regeling voor ieder schooltype. Vanzelfsprekend was dat - nog afgezien van het kostenaspect en de beheersbaarheid, al die personele verschillen problematisch waren.
Die materie was dus het terrein van dat financiële college, met voorzitter professor Gerard van den Bergh; daarnaast komen we Izak Jacobson tegen en Isaac van der Velde, als leden van dit driemanschap. [Vanaf de schoolbestuur-vergadering van 12 oktober 1942 heet het College ‘algemene adviescommissie voor het Joodse onderwijs’]
Gerard van den Bergh (1890-1966) (mr. dr.) was voorheen hoogleraar staats- en administratief recht en lid van de Tweede Kamer voor de SDAP. Inderdaad een van de zonen van Samuel van den Bergh die samen met Anton Jurgens de margarine in Nederland introduceerde (sinds 1930 onder de firmanaam Unilever).

Izak Jacobson (1902- april 1945) had samen met Max Bolle (alg. secr. van de Joodsche Raad) een accountantskantoor aan de Noorder Amstellaan. Izak zat in het kerkbestuur van het NIK (Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap) en ook in het bestuur van de (Portugees Israëlitische) Talmud Tora-scholen.
Hij was in de jaren ’41-’43 de centrale man voor het joods confessioneel onderwijs en leidde uit dien hoofde ook het onderwijsbureau aan de Plantage Kerklaan. [lees § 15-IV]

Isaac van der Velde (1893-1983) was schoolhoofd en daarna Rijksinspecteur voor het lager onderwijs in het resort Groningen; in maart 1941 ontslagen. Sinds de vorming van de Centrale Onderwijscommissie was hij binnen de gelederen van de Joodsche Raad dé onderwijsman.

Bij de voorbereiding van de overdracht op 8 december, ontdekten de medewerkers op het Onderwijsbureau nogal wat verschil tussen salarissen van de ‘openbare’ en ‘confessionele’ leerkrachten in Amsterdam. De ‘confessionele’ leerkrachten waren immers ongemoeid gebleven bij de ontslaggolf in maart 1941, die het openbare onderwijs had getroffen. Anders dan hun ‘openbare’ collega’s, stonden ze niet op wachtgeld en evenmin op tijdelijke aanstellingen. In de vergadering van 19 november stelde het nieuwe schoolbestuur daarom met spoed, een voorlopige salarisregeling vast waarbij die 100%-betalingen werden afgevlakt en 70% van de oorspronkelijke wedden de norm werd voor alle oudgedienden, over de hele breedte van het nieuwe Joodse onderwijsveld. Dat gold niet voor nieuw benoemden en de herintreedsters, die kregen gewoon hun aanvangssalaris.
Over de maand september was nog betaald door de gemeenten en de confessionele besturen; vanaf oktober 1942 kwamen de salarissen voor rekening van de Joodsche Raad. Omdat de eerste tranche van het subsidie van 80 gulden per leerlingen nog niet door het Departement voor Financiën ter beschikking was gesteld en de Raad zelf overvallen werd door die honderden leerkrachten in heel land, moesten de salarisbetalingen over oktober, beperkt blijven tot relatief kleine voorschotten. Vanzelfsprekend dat de nieuwe regeling nogal wat gepruttel gaf, onder andere briefsgewijs van de schoolhoofden Simons, Hartog en van Tyn.
Onderwijschef Van der Velde had immers in zijn toelichting op de begroting voor het schooljaar ’42-’43 geschreven, dat uitgegaan werd van ‘handhaving van het door de leerkrachten tot dusverre genoten inkomen, echter behoudens enkele uitzonderingen.’ Die uitzonderingen betroffen dan, dat ‘de personeelsleden die recht op een wachtgeld hebben, dit wachtgeld ten volle zullen ontvangen en dat aan deze personen een salaris zal worden toegekend gelijk aan hun tegenwoordig salaris, voor zoveel nodig ingekort tot zodanig bedrag, dat salaris + wachtgeld tezamen niet meer bedragen dan het salaris laatstelijk genoten vóór het tijdstip, waarop zij op wachtgeld zijn gesteld’ [NIOD 182-163/053].
Met andere woorden: niemand zou er op achteruitgaan, ten opzichte van de situatie in najaar 1940, dus voordat 'openbare’ leerkrachten uit het onderwijs waren verstoten.
Maar er moest wél bezuinigd worden, [zoals ik beschrijf in § 18]; daarom zette van der Velde in op verkleining van de onderwijsteams : ‘Wij zullen het aantal leerkrachten in het Openbaar Onderwijs te Amsterdam moeten verminderen van 116 op plm. 70. Daar er 55 wachtgelders zijn, kunnen er slechts ongeveer 15 niet-wachtgelders in eerste instantie worden aangesteld.’[NIOD 182-102/031]
Daar zat dus zijn ‘bezuinigingstruc’; met de bezetter was er inmiddels een akkoord bereikt dat wachtgelders in plaats van een wedde, hun wachtgeld konden behouden.
(Voor de leerkrachten die niet meer aangesteld werden had hij ook een ‘truc’ om hun ‘sperre’ te behouden; ze kregen een onbetaald plek bij de Joodsche Raad, als ‘onderwijs-reservist’ of in het thuisonderwijs en in de ‘jeugdontwikkeling’ – voor kinderen boven de leerplichtige leeftijd)
Terwijl van der Velde zijn bezuinigingen dus trachtte te halen door verkleining van de teams, met grotendeels onbezoldigde wachtgelder, kreeg die ‘commissie van den Bergh’ toch de opdracht, door één uniforme salarisregeling voor de verschillende schooltypen, verdere besparing op de personeelslasten te bewerkstelligen.
Na een paar maanden delibereren werd begin februari 1943 ‘de salarisregeling voor het personeel der joodse inrichtingen van onderwijs in Nederland’ vastgesteld; ingangsdatum 1 februari 1943. En meteen bij betalingen over de maand februari werd de regeling geëffectueerd.
In de toelichting bij de regeling schrijft van der Velde :
De salarisregeling, die U hierbij door het Bestuur aangeboden wordt, wijkt in verschillende opzichten af van de regeling, die momenteel geldt voor onderwijzend personeel in dienst van Rijk of Gemeente.
De oorzaak hiervan is bekend. De subsidie, die de Joodse Raad ten behoeve van het onderwijs ontvangt, is in verband met de overige kosten van het onderwijs niet voldoende om de salarissen op bovengenoemd peil te handhaven.
Het bestuur weet, dat de lage salarisschaal leidt tot grote materiële moeilijkheden bij de betrokkenen.
Het zou gaarne, door de grondsalarissen te verhogen, een deel van deze moeilijkheden uit de weg willen ruimen, doch de beschikbare middelen laten dit niet toe.

De salarissen bij het L.O zijn in overeenstemming met de aanvangsjaarwedden volgens het (Rijks-)Bezoldigingsbesluit 1934, derhalve zonder rekening te houden met dienstjaren en periodieke verhogingen.
Bij deze regeling is uitgegaan van de gedachte, dat de leerkrachten met dienstjaren in de meeste gevallen wachtgelders zijn, terwijl de niet-wachtgelders in de meeste gevallen geen of weinig dienstjaren bezitten.

Een groot gedeelte van het personeel geniet wachtgeld; enkelen zijn in het genot van pensioen.
Dit wachtgeld (pensioen) wordt door deze salarisregeling natuurlijk niet aangetast.
Waar het wachtgeld (pensioen) blijft beneden het bedrag berekend op grond van deze salarisregeling, wordt een zodanig salaris toegekend, als nodig is om een inkomen te verschaffen, dat met inbegrip van wachtgeld (pensioen) gelijk is aan het op grond van deze salarisregeling berekend salaris.
De algemene tendentie is geweest de lagere salarissen zoveel mogelijk te ontzien, kostwinners zoveel mogelijk te steunen, de hogere slarissen te korten.
Er is dus een streven geweest naar een nivellering der jaarwedden in overeenstemming met de eisen van deze tijd.[NIOD 182-282/015 ev of 130/111 ev]

Het gedelibereer in december en januari ging niet over die nivellering, maar vooral of de regeling niet té sober was; enerzijds werd aangedrongen op verhoging van de aanvangsschaal en de toeslagen; maar anderzijds werd juist sterk gepleit voor matigheid, in het licht van de begroting over het tweede helft van het schooljaar. Men mocht er immers vanuit gaan dat, daar de leerlingenaantallen ernstig afnamen, het leerling-gerelateerde subsidie aanzienlijk tekorten zou geven.
Uiteindelijk werd de commissie het eens over verhoging van de wedde met zo’n honderd gulden en verlaging van de hoofdentoeslag (de meeste scholen buiten Amsterdam waren nauwelijks groter dan één klas; een toeslag was dus eigenlijk overbodig). Aan andere kant kwamen naast de gehuwde ambtenaar, ook voor de kostwinnerstoeslag ‘de ongehuwde ambtenaar, zowel mannelijk als vrouwelijk, en de gehuwde vrouwelijke ambtenaar’ in aanmerking, en dat was ruimer dan de regeling van het Rijk, waarop de regeling was gebaseerd.
Maar het geprutteld onder de betrokkenen verstomde niet toen de februari-betalingen waren ontvangen; behoorlijk wat wachtgelders voelden zich tekortgedaan; hun maandsalaris pakte door die nieuwe regeling beduidend lager uit dan wat er in het vorig schooljaar, door de gemeente bovenop het wachtgeld werd uitbetaald. In mei '43 besloot het Joodse schoolbestuur alsnog deze leerkrachten te compenseren met bedragen die varieerden van zo’n 6 a 7 gulden tot voorbij de 25,- per maand. Dat waren best aardige bedragen op een salaris van nog geen 200 gulden per maand, en het werd ook nog eens uitbetaald vanaf februari tot het eind van het schooljaar !

wachtgeld en wedde
Vanaf hun ontslag per maart 1941 hadden de vaste benoemde leerkrachten op wachtgeld gestaan, dat na zes maanden daalde naar 70% van de laatste wedde. Dat was conform de ‘non-activiteitsregeling burgerlijk Rijkspersoneel’ [NIOD 120/014], zoals die vanaf november 1940 van kracht was op het Departement.
Onderwijswet art 51-1 ‘ten laste van het Rijk wordt wachtgeld verleend, gedurende de eerste 3 maanden van 100% van de laatste wedde; de volgende 3 maanden, 85% en daarna gedurende vijf jaren 70%
In die eerste periode toen ze terug waren in dienst van de gemeente Amsterdam, hadden de leerkrachten ondanks hun staat van dienst, een tijdelijke benoeming in de aanvangsschaal, dus met een relatief lage wedde Uiteraard werd dat bedrag verhoogd met toeslagen – indien van toepassing, voor kinderen, kostwinnerschap en het hoofdschap. Voor ‘oudgedienden’ die voor 1 maart 1941 bij de gemeente een vaste onderwijs-benoeming had gehad kwam er een aanvulling met een wachtgeld-toeslag tot 70% van de laatste wedde vóór het ontslag per 1 maart 1941.
Elke maand kreeg men éérst het wachtgeld-deel via de giro overgemaakt en tegen het eind van de maand volgde dan het feitelijke salaris.
[Al het Amsterdamse gemeentepersoneel had een rekening bij de Amsterdamse giro – een sociaal-democratisch initiatief uit 1917 - in 1977 gefuseerd met de jongere Rijks’ Postcheque en girodienst, wat vervolgens als Postbank tot de huidige ING-bank heeft geleid; zo gezegd is de Amsterdamse GEMEENTE GIRO de ‘moeder’ van de ING]
Alhoewel het nog tot half november duurde voordat de overdracht van scholen, leerlingen en onderwijzend personeel aan de Joodse Raad een feit was, werd de (‘juridische’) ingangsdatum van die overdracht gesteld op 1 september, dwz bij aanvang van het nieuwe schooljaar. En terwijl de ‘Erlass’ van de bezetter [zie § 14] stelde dat het doen van betalingen aan de ontslagen joodse ambtenaren (waaronder het onderwijspersoneel) verboden was, werden de leerkrachten in die maand september gewoon nog door de gemeente uitbetaald.
De situatie was dus zo dat de tijdelijke aanstellingen van het gemeentepersoneel feitelijk per 1 september 1942 waren afgelopen Men viel weer terug op het wachtgeld dat de gemeente namens het Rijk uitkeerde ‘Het personeel wordt in gelijke functie overgedragen en als zoodanig aanvaard (door de JR) Het ontvangt geen formeel ontslag, omdat het tijdelijk voor de cursus 1942/1943 of zooveel korter als noodig is, was aangesteld Het ontvangt een verklaring, waarin geconstateerde wordt, dat de betrekking geëindigd is wegens overdracht van de scholen aan den Joodschen Raad’ [SAA 5191-10836]
De aanstellingen waren -zoals te lezen valt op de personeelskaarten [SAA 5191-9810 ev.] juist per september 1942 opnieuw verlengd. De bezetter stelde zich op het standpunt dat de Joodse Raad de uitbetaalde salarissen over september aan de gemeente moesten terugbetalen, maar tot ver na mei 1945 is er door de gemeente tevergeefs met het Rijk gebakkeleid om dat gecompenseerd te krijgen. [SAA 5191-8354/0344 en 8516/3511]
Vanaf de overdracht aan de Joodse Raad was de situatie ten aanzien van de wachtgelders zo :
‘Het departement (van O. W. en K.) stelt zich op het standpunt, dat de wachtgelders (volle) wachtgeld behouden, buiten de f 80,- uitkering per leerling om. Dit kan door de Joodse Raad worden aangevuld tot de bedragen van de oorspronkelijke salarissen’.[NIOD 182-107/61]
Deze regeling hadden de onderhandelaars van de Joodse Raad dus bij de bezetter weten te bedingen; er dus was sprake van een ‘tweede geldstroom’ richting het joodse onderwijs, naast dat subsidie van 80 gulden per jaar per leerling. [lees § 18-IV]
Het ging dus precies andersom dan bij de gemeente, nu kwam bij de maandelijkse betaling het volle wachtgeld binnen – 70% van de oorspronkelijke maandelijkse wedde, overgemaakt door de gemeente.
Dat was de situatie in de maanden oktober, november, december ’42 en januari ’43; de wachtgelders kregen wachtgeld terwijl de confessionele leerkrachten werden afgevlakt tot vergelijkbare 70% betalingen en de nieuw benoemden, ook die op de confessionele scholen, in 41/42 en vanaf najaar ’42, kregen allemaal de aanvangswedde, zoals bij de gemeente.
In die tijdelijke regeling was echter ruimte om bij ernstige achteruitgang van de vorige wedde, een compensatie te bieden.
Met de salarisregeling van 1 februari 1943 werden die drie categorieën opnieuw gedefinieerd:
Ten eerste alle personeelsleden op de confessionele scholen, die daar al werkzaam waren voor september 1941. Zij ontvingen een salaris tot de hoogte van dat wat een collega in het openbare onderwijs uit wachtgeld-bron ontving, dat kwam dus neer op 70% van het gewone salaris.
De tweede categorie waren de 'openbare' wachtgelders; die kregen dus uitsluitend dat wachtgeld en dat was 70% van hun laatste salaris voor maart 1941 en dat werd niet door de Joodse Raad maar door de vorige werkgever (de gemeente) uitgekeerd, namens het departement.
En de derde categorie waren de nieuw aangestelde leerkrachten (herintreedsters en pas- afgestudeerden), daar die allemaal bij de gemeente slechts de aanvangswedde hadden, behielden ze die nu ook, met als voorbehoud dat dat niet meer dan die 70% wachtgelduitkering mocht bedragen.
Feitelijk ontvingen de wachtgelders dus geen inkomen uit hun werkzaamheden ten dienste van het onderwijs aan joodse kinderen, behalve dan een paar tientjes die in een aantal gevallen, als compensatie bovenop het wachtgeld kwamen.
Vanzelfsprekend was het in het belang van het Joodse schoolbestuur dat er zoveel mogelijk wachtgelders voor de klas stonden, die stonden daar immers zo goed als gratis.
Kort samengevat kwam de regeling er op neer dat onderwijzers en onderwijzeressen, met hoofdacte, 1485 gulden ontvingen, dat gold ook voor jongere leerkrachten. Voor het hoofdschap kwam er een toeslag van 300,- bij en als je kostwinner was (man of vrouw) kreeg je een toeslag van 180,- en tot slot kwam er per kind nog eens 150,- bij; dat gold ook voor pleeg- en stiefkinderen. Allemaal uiteraard bedragen per jaar.
Deze bedragen en toeslagen waren de norm, als je als wachtgelder of in het confessionele onderwijs (met dat maximum van 70%) onder dit bedrag bleef, kreeg je een compensatie tot de hoogte van dat bedrag.
De bezetter had inmiddels als maatregel afgekondigd dat joden niet meer dan 250,- gulden netto per maand als inkomen mochten ontvangen. [verordening 58/1942] De Joodsche Raad verplichte haar personeel een machtiging af te geven waarmee het inkomen boven die 250,- werd afgestort bij bank Lippmann, Rosenthal en Co – later bekend als ‘Duitse roofbank’. Dat was althans voor de leerkrachten in het lager onderwijs, een symbolische maatregel. Een nieuw aangesteld schoolhoofd, met echtgenote en twee kinderen ontving volgens de salarisregeling, zo’n 190 gulden per maand en zelfs de bestbetaalde ‘oudgediende’ schoolhoofden ontvingen in november 1940, dus vóór dat ze in de wachtgeldregeling terecht kwamen, een maandwedde van plm 280,- gulden bruto, inclusief toeslagen.
[de lezer die inmiddels ‘groot onrecht’ constateert, verzoek ik even geduld te hebben – in 1945 besloot de gemeente tot rechtsherstel; alle betrokkenen of hun nabestaanden kregen de inkomensverschillen over de periode november 1940 tot aan mei 1945 keurig gecompenseerd – en dat gold niet alleen de joodse leerkrachten, ook gemeentepersoneel dat in het verzet en/of onderduik was gegaan werd financieel rechtsherstel verleend – ik kom daar op terug, in § 23]

notitie PERSONEELSKAARTEN

PERSONEELSKAARTEN
Bij het Stadsarchief Amsterdam, zijn de personeelskaarten van het gemeentelijk onderwijzend personeel bewaard gebleven, zo ook die van de lager onderwijsleerkrachten die op de Amsterdamse openbare joodse scholen waren benoemd, in de cursus 41-42 en zelfs ook van die enkelingen die nog in augustus/september 42 er aan toe werden gevoegd.
De kaarten zijn digitaal te raadplegen, volg indien gewenst het volgende pad :
toegangsnummer 5191
- 1. archief afdeling onderwijs
- 1.2. bijzondere onderwerpen
- 1.2.1. PERSONEEL
- en dan 98810 t/m 10070
Dat zijn de stamkaarten vast personeel.

(het zijn er zon 60 duizend)
(die van het tijdelijk personeel en van de vakkrachten zoals gymnastiek en handwerken, zitten resp. onder 9780 e.v. en 10441 e.v., maar de tijdelijke joodse aanstellingen zitten bijna allemaal onder 98810 e.v.).
Elke leerkracht heeft doorgaans meerdere kaarten, al naar gelang de lengte van de staat van dienst. De joodse leerkrachten hebben naast de grote kaarten, meestal ook nog kleine kaarten, die werden standaard gebruikt voor de tijdelijke aanstellingen - aan het begin van de loopbaan, maar in deze gevallen dus voor de periode september 1941 t/m najaar 1942.
Op de hoofdkaart van de aanstelling eind jaren 30 cq begin jaren 40, staat bijgeschreven: Ontslagen m.i.v. 1 Maart 1941 bij beschikking dd 21 Febr. 1941 Z 3147 Ve/41 v.d. Rijkscomm. voor het bezette Nederl. gebied (No 967O. 41)
Dat staat links op de kaart en daarnaast staan dan de gegevens van de laatste aanstelling vóór het ontslag (school en aanvangsdatum van de benoeming).
Op de kaart vind je meestal ook zoiets als vertrokken, onbekend waarheen en/of gegevens van het overlijden, althans in die periode. Tussen de grote kaarten zitten dus ook kleine kaarten, daarop staan de gegevens van de aanstellingsperiode vanaf sept. 41. Ook daar staat vaak de sterfdatum en op de achterzijde, gegevens van het gezin.
Als iemand terug in dienst van de gemeente is gekomen zitten er ook nieuwere grote kaarten, die dus beginnen in 1945. En daar waar sprake is van rechtsherstel staan de berekeningen doorgaans rechts op de grote kaart.
Ik raad je aan alle kaarten van een persoon eerst zorgvuldig te bestuderen alvorens er conclusies aan te verbinden, temeer daar (ook hier) de boel bepaald niet compleet is.
A.


V rechtspositie
Commissie van den Bergh had naast het opstellen van de salarisregeling, ook tot taak een rechtspositiereglement te ontwerpen. De leerkrachten in het openbaar onderwijs, zowel als dat van de confessionele scholen, kenden uiteraard een goed reglement waarin hun rechten en plichten waren verankerd. Met de overgang naar de Joodse Raad viel deze rechtsbescherming weg, vanzelfsprekend dat het joodse schoolbestuur zich tot taak stelde, haar nieuwe medewerkers een vergelijkbare positie te bieden Bij de salarissen had men al moeten inleveren, er leek geen noodzaak dat ook te doen met de rechtspositie.
In de vergadering van 1 october 1942, stelde het schoolbestuur vast dat de rechtspositie van de leerkrachten ‘gelijk is aan die van het overige personeel van de Joodse Raad’. [NIOD 182-102/057]
Dat klonk vrij vanzelfsprekend tot men erachter kwam dat, dat ‘overige personeel’ helemaal geen rechtspositiereglement kende, waarop het bestuur van de Joodse Raad zich haastte een commissie in te stellen die belast werd met het ontwerpen van ‘een regeling voor het personeel van de Joodse Raad alsmede van de onderwijskrachten’. [NIOD 182-102/057]
Die commissie ‘van de Rechtspositie van Onderwijskrachten’ werd ook voorgezeten door professor Gerard van den Bergh, maar dit keer schoven naast Isaac van der Velde, ook de algemeen adviseur van de Joodse Raad Meyer de Vries en ‘huisnotaris’ Eduard Spier naast hem aan.
Binnen een maand lag er een eerste concept, alleen voor het onderwijzend personeel. De regeling was grotendeels gebaseerd op (en verwees naar) de bestaande onderwijswetten en omvatte slechts drie velletjes kwarto. [kwarto is 20,3 x 25,4 cm – dwz ongeveer A4] Maar er werd tenminste het een en ander geregeld rond benoeming, salarisbetaling, ontslag en positie.
De toelichting bij dit stuk omvatte evenzo drie velletjes; voorzitter van den Bergh schreef daarin óók over iets dat nergens in de tekst van het reglement aan de orde kwam: de aansprakelijkheidspositie van de onderwijzer jegens zijn/haar leerlingen, i.v.m. schade door en aan de leerling toegebracht.
In het Burgerlijk Wetboek is deze aansprakelijkheid neergelegd bij de werkgever en is de onderwijzer als diens verlengde gevrijwaard, maar zoals vdBerg opmerkte was de Joodsche Raad ‘juridische een fictie’ (en dus geen werkgever). Dientengevolge was de leerkracht, met het zetten van zijn handtekening op de benoemingsakte, feitelijk zijn eigen werkgever en dus ten volle aansprakelijk. Van den Berg kwam niet met een oplossing voor dit obstakel, slechtst met de waarschuwing dat ‘er voldoende toezicht moet worden uitgeoefend, maar zelfs dan zijn ongelukken niet altijd te voorkomen’ [NIOD 182-278/019]
Denkbaar is dat juist dat zinnetje, de constatering dat de Joodsche Raad juridisch gezien niet bestond, de denkrichting van deze kleine commissie heeft doen kantelen. Nauwelijks was het concept ‘regelen van de rechtspositie voor het onderwijspersoneel van den Joodsche Raad’ in de commissie besproken of er verscheen samengebracht op slechts één kwarto-velletje een geheel nieuw, krachtig en beknopt reglement, dat door van den Berg zo werd gemotiveerd:
‘Buitengewone omstandigheden eisen buitengewone regelingen. Het is rondweg onmogelijk behoorlijk materieel recht – tenzij als eens schoonschijnend geheel van niet te handhaven bepalingen – in een reglement neer te leggen, wanneer iedere maand, ja iedere dag en ieder uur geheel nieuwe toestanden brengt, althans brengen kan.
Gaat men nochtans tot codificatie over, dan staat men voor het betreurenswaardig alternatief of het uiterste minimum aan bevoegdheden toe te staan of noodgedwongen werkeloos toe te zien, hoe de mooiste papieren rechten door de stormwind der tijden spelenderwijs worden uiteengeblazen’
'De oplossing moet gezocht worden in formele waarborgen, in de garantie van een billijkheidrechtspraak door goed mannen, die het algemene vertrouwen genieten. Dàn kan gevoeglijk met een minimum aan geschreven recht worden volstaan, dàn past het recht zich automatisch aan aan nieuwe omstandigheden.’
[NIOD 182-278/071 in handschrift van vdB]
Het nieuw ontwerp omvatte slechts een paar punten samengebracht op een velletje, waarbij de voornaamste luidde
‘de wettelijke voorschriften voor het onderwijzend personeel van het openbaar onderwijs te Amsterdam omtrent de rechtspositie bepaalde, vindt dienovereenkomstig toepassing, voor zover niet de bijzondere toestand van het joodse onderwijs en wisselende tijdsomstandigheden redelijkerwijs anders moeten doen beslissen’
Het andere belangrijke punt was, dat de leerkracht die zich in ‘zijn recht geschonden of gekrenkt acht’ zich tot ‘een scheidsgerecht’ kon wenden. [NIOD 182-130/126]
Schoolbestuur en Joodsche Raad gingen direct akkoord zodat de regeling vanaf 1 januari 1943 van kracht werd. Meteen ook installeerde de Joodsche Raad het bedoelde scheidsgerecht, met die professor van den Bergh en de juristen Gomperts en Kisch. Alle drie hadden ze niets met het onderwijs van doen, maar zowel Kisch als Gomperts had wel een (werk)-relatie met de Joodsche Raad, waardoor er in het schoolbestuur twijfel ontstond over de onafhankelijkheid van dat scheidsrecht.
Bij het confessionele deel van het schoolbestuur (Izak Jacobson en opperrabbijn Philip Frank) viel bovendien die verwijzing naar de gemeentelijke rechtspositie niet in goede aarde. Uiteindelijk bleef alleen het scheidsrecht overeind en werd een akte van benoeming (per persoon) gehanteerd, zoals die gebruikelijk was bij de vier confessionele lagere scholen in Amsterdam. En dat alles onder het motto ‘Buitengewone omstandigheden eisen buitengewone regelingen’.

VI instructies
En dan was er nog de kwestie van al die regeltjes en instructies die het Nederlandse onderwijs (ook toen al) bij elkaar hield; uiteraard moest de joodse scholen daarmee worden opgetuigd. En dat was het werkterrein van die andere adviescommissie, die voor ‘onderwijs-technische vraagstukken’
Half sept 1942 was die al ingesteld, met de boodschap ‘Er zullen zich bij deze overdrachten een aantal vraagstukken van onderwijs-technische aard voordoen, waarover de leiding van het onderwijs aan Joodse leerlingen zich gaarne zal laten voorlichten door een college van deskundigen’. [NIOD182-280/01] Die deskundigen, uit alle geledingen van het joodse onderwijs in Amsterdam waren de onderwijzeressen Dien Hamburger-Monas (school nr 8), Marie Eveline Lyons (hoofd Joodse vorm- & kweekschool), Suze de Vries (directrice van Det-nijverheidsschool) en de onderwijzers Salomon Elte (rector Joods lyceum), Jerohm Hartog (hoofd school 7), Hartog Jacobs (directeur confessionele HBS) Andries de Jong (Joodse HBS), Henri Leuvenberg (Talmud Tora-A), A. D. Mesritz (directeur Davids-nijverheidsschool) en Dane Simons (hoofd Joodse Mulo). Herman Aa van het onderwijsbureau was secretaris, en onderwijsinspecteur Bartels, de voorzitter. [SAA 1407 map 449]
Meteen, bij de start krijgt de commissie het reorganisatieplan voor het Amsterdamse onderwijs voorgelegd, waarbij een strikte geheimhouding werd afgedwongen. Het ziet er naar uit dat het college van deskundigen daarbij echter niet veel opmerkingen had in te brengen. De reorganisatie is doorgevoerd zoals in het plan werd voorgelegd
[zie § 20- II - REORGANISATIEPLAN].
Vanaf de decembervergadering gaat het hoofdzakelijk over de reglementen en instructies voor het Joodse onderwijs, zoals die grotendeels gebaseerd op de bestaande regelementen en instructies in het Amsterdamse onderwijs, op het onderwijsbureau waren opgesteld. Dat varieerde van een document voor de ‘schoolvergadering’ en instructies voor het onderwijzend personeel tot ‘statuten voor de oudercommissie’. Meteen al in die decembervergadering veegt Dane Simons, hoofd van de nieuwe joodse muloschool, de vloer aan met al die regelingen en merkt op dat ‘in dezen tijd deze regelingen geen zin hebben’. [SAA 1407 map 449] Bij de stemming haalt zijn voorstel om alles te schrappen, het niet (er zijn er nogal wat die zich onthouden van stemming) terwijl voorzitter Bartels de onrust in de commissie probeert te sussen door de hoop uit te spreken dat de huidige toestand zich zal stabiliseren en dat het verstandig is nu juist zo normaal mogelijk te doen.
Ook in de volgende vergaderingen gaat het bureau gestaag door met het voorleggen van concepten; hier en daar worden die door de commissie een beetje aangepast en uiteindelijk allemaal gesanctioneerd Het hele pak aan reglementen en instructies kon vervolgens door het Joodse schoolbestuur worden vastgesteld, het was toen was al 15 april 1943.
In een van de laatste vergaderingen werd er nog één nieuw reglementje toegevoegd, dat voor de kinderbegeleidsters; een nieuw fenomeen binnen het joodse onderwijs:
‘De taak der kinderbegeleidsters bestaat uit het geleiden van kinderen naar en het afhalen van school’

In de instructie wordt duidelijk aandacht geven aan ‘bijzondere omstandigheden’ – waarbij de mogelijkheid bestaat dat de school gesloten wordt.
De begeleidsters moeten dat er dan zorg voor dragen dat de kinderen worden afgeleverd aan ouders, voogden of verzorgers; zij mogen in geen geval de kinderen alleen achter laten.
[SAA 1407 map 449]

In die map 449 bij het Stadsarchief zitten de volgende reglementen:
- reglement voor de joodse scholen
- instructie voor het onderwijzend personeel
- reglement voor de schoolvergadering
- oudercommissies en ouderraden
- schoolparlement voor de joodse scholen in Amsterdam
- reglement voor de bijeenkomsten van de hoofden van
de joodse lagere scholen
- instructie voor hoofden en onderwijzeressen en helpsters
van de Joodse Voorbereidende scholen
- reglement voor de schoolvergadering aan de Joodse
voorbereidende scholen
- voor het schoolparlement van het Joodse
voorbereidende onderwijs
- voorschrift onderwijzend personeel in geval van
verhindering in de waarneming van hun taak
tengevolge van ongesteldheid.
- regelement inrichtingen voortgezet onderwijs
- huishoudelijk reglement voor de inrichtingen voor
voortgezet onderwijs
- instructie voor directeur en leraren Joodse kweekschool
- bepalingen voor joodse leerscholen voor het oefenen in
de praktijk van het lesgeven
- verzuiminstructie (voor alle scholen)

[SAA 1407 map 449]
[NIOD 182-281/034 ev]
Juist in die maanden dat het joodse onderwijs keurig geregeld is met instructies, reglementen, aanstellingen, scheidsrecht en regelmatige salarisbetalingen, dringt de buitenwereld onverbiddelijk de scholen binnen.
In de schoolbanken blijven steeds meer plekken leeg, ook in de onderwijsteams vallen gaten. Zodra een leerkracht niet meer smorgens op school verschijnt, stopt de salarisbetaling abrupt. ‘Zij die zich nog in Nederland bevinden’ worden voorzien van voedselpakketten.
Het onderwijsbureau heeft steeds meer moeite vervanging te regelen voor de opengevallen plaatsen in de teams, zoals op de scholen 2, 7, 9, 14 en 15 waar ook de schoolhoofden verdwenen zijn; maar eigenlijk is het ook niet meer nodig.

§ 19. scholen in de Mediene
In de vorige paragrafen refereer ik hier en daar aan de situatie elders in het land. Daar is - zover ik kan nagaan, niet zoveel over geschreven, met uitzondering van de publicaties van Femke Mooijkind over de joodse school in Amersfoort en van Wally de Lange over het Joods Lyceum in den Haag [zie overzicht andere publicaties]. Vandaar dat ik hier een paragraaf wijd aan de situatie in de Mediene, dat wil zeggen buiten Amsterdam.
We gaan daarvoor weer even terug. Een kleine week voor de ingangsdatum van 1 september 1941, [lees § 6] stuurde Secretaris-generaal van Dam alle gemeentebesturen zijn aankondiging van de isolatie-maatregel. Hij had ze een week daarvoor al opgedragen hem een ‘nominatieve’ opgave te verstrekken van de leerplichtige joodse leerlingen ter plaatse. Maar met deze brief droeg hij de gemeenten op erop toe te zien dat alle scholen per 1 september de joodse leerlingen daadwerkelijk uit de scholen zouden verwijderen en schrijft hij dat ‘afzonderlijke onderwijsinrichtingen zoo spoedig mogelijk worden opgericht’ Daarover gaat hij dan verder in zijn volgende circulaire, begin september ’41:
‘In het algemeen zou ik als maatstaf wenschen aan te nemen, dat, zoo in eenige gemeente (of in een gemeente met eenige randgemeenten tezamen) 50 leerlingen van Joodschen bloede aanwezig zijn, in ieder geval overgegaan behoort te worden tot het voorbereiden van een afzonderlijke school voor dezen. Wanneer mij op grond van de mij toegezonden opgaven blijkt, dat zulk een geval zich voordoet, stel ik mij voor om – voor zover dit niet reeds is geschied – aan den betrokken Burgemeester mededeling te doen van deze omstandigheid en aanwijzing te geven voor de inrichting van een zoodanige school.’
[HNA 21437/0350 en SAA 5191-7433/3255: 9 sept 1941]
Het ziet er naar uit dat die verwijdering van de joodse leerlingen overal in het land, getrouw is uitgevoerd, maar van gemeentelijk initiatieven het onderwijs voor hen aansluitend, te garanderen lijkt bijna nergens sprake te zijn geweest. Pas eind oktober, als de gegevens verzameld zijn, geeft van Dam de Burgemeesters daarover uitsluitsel:
‘op grond van de ter zake aan mij verstrekte gegevens van oordeel ben, dat de navolgende gemeenten voor vestiging van één of meer scholen voor gewoon lager onderwijs voor leerlingen van Joodschen bloede in aanmerking komen: Groningen, Onstwedde (Stadskanaal), Winschoten, Leeuwarden, Assen, Hoogeveen, Almelo, Deventer, Enschede, Zwolle, Apeldoorn, Arnhem, Nijmegen, Winterswijk, Zutphen, Amersfoort, Utrecht, Amsterdam, Bussum, Haarlem, Hilversum, Laren (N.H.), Zaandam, Zandvoort, ’s-Gravenhage, Leiden, Rotterdam, Wassenaar, Eindhoven, ’s-Hertogenbosch, Oss en Maastricht.’
[SAA 5191-7521/0352]
De joodse kinderen waren toen al zo’n acht weken zonder onderwijs, terwijl in de aanwijzing van Seyss-Inquart [lees § 6] duidelijk staat dat dat niet langer dan vier weken mocht duren.
De gemeentebesturen hadden al die tijd dus een afwachtende houding; de aantallen kinderen waren immers in de meeste plaatsen niet zo groot dat het oprichten van een afzonderlijke school urgent was en wettelijk mogelijk. In zijn schrijven begin september noemt van Dam de aanwezigheid van 50 leerlingen voor de stichting van een afzonderlijke school. Uit de verzamelde gegevens zal hem duidelijk zijn geworden dat dit aantal, zoals dat vastgelegd was in de Onderwijswet, zelden haalbaar was, waarop hij met Generalkommissar Wimmer die de joodse aangelegenheden in zijn portefeuille had, in overleg trad en hem eind november vervolgens schreef dat:
‘Op een enkele uitzondering na, bedraagt het in deze gemeente voor het bezoeken van een Joodsche school voor g.l.o. in aanmerking komende aantal leerlingen ten minste ongeveer 40 ll aanwezig zijn. In deze gevallen kwam schoolstichting mij noodzakelijk voor.’
[HNA 2.14.37-352]
Naast het probleem met het ‘ten minste ongeveer’ aantal leerlingen, onderkende van Dam ook het tekort aan bevoegde leerkrachten van joodse bloede, met name in de kleinere gemeenten. In de jaren twintig/dertig was ook onder jonge onderwijzers en onderwijzeressen een duidelijk trek naar de grote steden op gang gekomen. Het was daardoor bijna ondenkbaar dat in Almelo, Dordrecht of Sittard een joodse man of vrouw met een onderwijzersdiploma beschikbaar zou zijn. Maar ook daar vond hij een ‘oplossing’ voor, zodat hij in de circulaire van eind oktober kon schrijven, dat:
‘De door mij ontworpen regeling gaat aanvankelijk uit van het standpunt dat deze scholen uiteindelijk onder het bestuur zullen staan en onderhouden zullen worden door den in te stellen Joodschen raad en als zoodanig dus zullen moeten worden beschouwd als ongesubsidieerde inrichtingen voor bijzonder onderwijs. De door mij bovengeschetste opvatting brengt mede, dat de bepalingen der Lager-onderwijswet 1920 op de Joodsche scholen voor gewoon lager onderwijs ten deele niet van toepassing zijn. Zo acht ik b.v. de bepaling dier wet, betreffende het aantal verplichte leerkrachten, op de Joodsche scholen voor gewoon lager onderwijs niet van toepassing, terwijl het mijns inziens geen bezwaar ontmoet, indien gehuwde Joodsche vrouwelijke leerkrachten als onderwijzeres aan zoodanige scholen worden aangesteld.’
[SAA 5191-7521/0352]
Vervolgens verwees de SG met dit schrijven, de Burgemeesters naar de Centrale Commissie voor het Joodsche onderwijs te Amsterdam ‘opdat een billijke en regelmatige verdeeling der beschikbare Joodsche leerkrachten kan worden bevordert’. En dat is zo’n beetje het laatste wat de Secretaris-generaal van Opvoeding, de gemeenten had mede te delen, betreffende zijn zorgen voor de joodse leerplichtige kinderen.
[In de Onderwijswet, versie 1936 zijn criteria voor oprichting van een bijzondere lager school gegeven in art 73.1. In gemeenten met minder dan 25-duizend inwoners zijn er tenminste 50 kandidaat-leerlingen noodzakelijk, wat oploopt met 75 bij meer dan 25-duizend en 100 bij meer dan 50-duizend naar 125 bij gemeenten met meer dan 100-duizend inwoners. Dezelfde aantallen worden in art 22.bis (sinds 1936) ook gehanteerd voor de opheffing van een openbare school - dat moet je dan lezen als ‘bij minder dan 50’ etc. Uiteraard staat het de minister van Onderwijs vrij een uitzondering te maken cq lagere aantallen toe te staan. Maar helaas was de minister ‘uitlandig’. Alhoewel van Dam dat nergens schrijft, is het aannemelijk dat hij, gelet op zijn opstelling dat de scholen ongesubsidieerde inrichtingen voor bijzonder onderwijs zullen zijn, zich beroept op artikelen 73.1 en de mogelijkheid daar een uitzondering op toe te staan. Dat deed hij dan door ‘tenminste ongeveer’40 kinderen als norm te noemen in zijn brief aan Wimmer]
[In de verschillende brieven aan de burgemeesters en in zijn brief van 21 nov aan die Wimmer, schrijft van Dam dat de gemeenten door hem zijn ‘aangewezen’. Ik betwijfel echter de wettelijkheid daarvan. In de Onderwijswet ontbreekt zo’n aanwijzingsmogelijkheid door de minister; zeker bij bijzondere scholen is dat recht voorbehouden aan particuliere initiatief (van oa de kerken) Bovendien was sinds de inval in Nederland het recht van aanwijzing voorbehouden aan de Reichskommissar.
[gelet op de 3e verordening uit 1940 'aangaande de uitoefening van de regeringsbevoegdheden door de Reichskommissar']
[Het verzoek en de aanwijzing waren overigens gericht aan de gemeentebesturen. Maar sinds maart 1941 was de gemeenteraad uitgeschakeld en de burgemeester alleenheerser in zijn gemeente en de -vanuit de raad gekozen, wethouders vervangen door een soort super-ambtenaren.]

notitie EXCEPTIES

EXCEPTIES
In de stad Groningen leverde de leerlingentelling waar de Secretaris-generaal om had gevraagd, ook op dat er zeven kinderen daar in het buitengewoon onderwijs zaten, waaronder drie leerlingen op het Koninklijk Instituut voor Doven en eentje op het Instituut tot Onderwijs van Blinden in Haren.
Die twee instellingen hadden een bovenregionale functie in de toenmalige gehandicaptenzorg; vanzelfsprekend dat de Groninger burgemeester nogal in zijn maag zat met die vier joodse kinderen. Ze moesten van hun school weg en dat gebeurde halverwege september 1941, terwijl er geen plek was in een andere geschikte leeromgeving.
De Burgemeester wende zich daarom tot het Opvoedingsdepartement in den Haag, net als verschillende andere burgemeesters in (grotere) gemeenten met scholen voor buitengewoon onderwijs. Men legde de SG het probleem voor en pleitte voor een regeling waarbij voor joodse kinderen, zwakzinnig, doof of blind, een exceptie kon worden gemaakt zodat deze kinderen terug konden naar hun eigen school.
Eind oktober 1942 antwoordde de SG dat hij, uiteraard na overleg met de bezetter zon regeling kon toestaan, maar dat gold niet voor de groep van zwakzinnigen in Amsterdam; daar werd een afzonderlijke BLO-school voor geopend. Overal elders in het land konden al die buitengewone kinderen terug naar hun eigen school, zo ook in Groningen; de drie zwakzinnige kinderen, de drie dove kinderen en het blinde meisje, ze keerden allemaal voor het eind van oktober terug in hun vertrouwde omgeving.
[Dat blinde meisje was Clara van Coevorden (26 oktober 1930- 16 april 1943); het plein voor het huidige blindeninstituut in Haren is mei 2018 naar haar vernoemd.]
A.
II
Die Centrale Commissie voor het Joodsche Onderwijs was, zoals ik in § 13 beschrijf, nauwelijks eerder gesticht door de Joodse Coördinatie Commissie in den Haag en de Joodsche Raad voor Amsterdam uiteraard onder het voorzitterschap van professor Cohen, die meteen in de eerste vergadering eind sept 1941, stelde dat:
‘de oprichting en voorlopige exploitatie van de scholen voor Joodsche kinderen is opgedragen aan de burgerlijke gemeenten. De burgerlijke gemeenten moeten dus aan de wenschen van de Duitsche autoriteiten en het departement gevolg geven. Al geeft de Centrale Commissie ook ideeën, daarnaast kan ze geen enkele verantwoordelijkheid tegenover het Departement aanvaarden. De Commissie vindt het echter zeer prettig te zijn ingeschakeld.’ [NIOD 182-038/0001 e.v]
De commissie, zo stelde Cohen was beschikbaar voor advies en begon haar taak met een landelijk onderzoek. Een achttal enquêteurs werden erop uit gestuurd [de dames Frank en Troostwijk en de heren Aa, Broekman, Duizend, Soetendorp, Fränkel en de Vries] om de situatie in het land in kaart te brengen. Het gevolg was gedetailleerde rapportages met concrete voorstellen voor combinaties van leerlingen vanuit de verschillende plaatsen, en daar waar de aantallen te klein lijken te zijn en er een schaarste aan bevoegde onderwijzers is, wordt zelfs de aanstelling van een reizende onderwijzer aanbevolen. Limburg, Groningen en Drenthe, maar ook de driehoek Culemborg-Tiel-Zaltbommel moet worden bediend door een reizende meester.
Door uitdrukkelijk elke verantwoordelijkheid af te wijzen trachtte Cohen de overdracht van het joodse onderwijs aan de Joodse gemeenschap, zoals dat door Seyss-Inquart was bevolen, te verhinderen. Die schreef immers in het verwijderingsbevel ‘Es ist beabsichtigt, die Unterhaltung und die Aufsicht der Juden-schulen einem zu gründenden jüdischen Rat zu überlassen’. Denkbaar is dat Cohen voorzag dat nogal wat van die ‘plaatselijke vertegenwoordigers’ van uit de lokale sjoels, her en der schooltjes zouden gaan beginnen. Hij vreesde wellicht de invloed van de synagogen op het nieuwe onderwijs als wel de kans dat de verantwoordelijkheid voor het joodse onderwijs sluipenderwijs bij ‘zijn’ Joodsche Raad zou belanden.
[de hele rapportage, eind oktober 1941, is bewaard gebleven bij het Ned. Israëlisch Kerkgenootschap [N.I.K.]: SAA toegang 1407 map 443 – er zitten allemaal kladjes in die map met de leerlingenaantallen per plaats, in heel het land - waarop vervolgens rayonindelingen zijn uitgeknobbeld – met zelfs treintijden, bijv. van Slochteren naar Groningen vv.
In het tweede deel van deze map zitten getypte en geschreven rapporten van uit de verschillende provincies met gedetailleerde voorstellen voor de organisatie van het onderwijs ter plaatse.]

[de aantallen en de plaatsen waar de scholen werden gesticht heb ik allemaal opgenomen en samengebracht in een excel, zie pijltje onderaan deze paragraaf]

Bij de enquête werden er zo’n kleine vierduizend lagere school leerlingen geteld, overal in Nederland, tot in de kleinste plaatsen, zoals Brielle (3); Terneuzen (1); Ochten (1) en Tiel (6). Zo’n 1.500 daarvan ging in Rotterdam en den Haag naar school. Als we bij deze aantallen ook de Amsterdamse leerlingen, in het openbaar en bijzonder lager onderwijs tellen, dan waren er toen, september 1941 zeker wel 8.000 joodse lagere school-kinderen in heel het land.

III
Dat Secretaris-generaal van Dam naar de Centrale Commissie voor het Joodsche Onderwijs verwees ‘opdat een billijke en regelmatige verdeeling der beschikbare Joodsche leerkrachten kan worden bevordert’ was natuurlijk best wel handig.
Het kersverse onderwijsbureau [lees § 13] van die Commissie had zich de hele maand october, immers beziggehouden met het in kaart brengen van de beschikbare joodse leerkrachten in het gehele land.
Eerder was al met de SG en de gemeente Amsterdam afgesproken dat de Commissie en haar nieuwe bureau zich niet op de drie grote steden, Amsterdam, den Haag en Rotterdam zou richten, maar uitsluitend op het nieuwe onderwijs in het land.
De SG noemde in zijn schrijven, 29 gemeenten (plus de drie grote steden) en de Commissie breidde dat uit tot in totaal 40 plaatsen. In al die plaatsen had het joodse onderwijsbureau een leerkracht met hoofdakte gevonden, zelfs voor de kleinste schooltjes, zoals in Meppel, Sittard en Venlo, niet groter dan een klasje van twintig kinderen.
Het waren bijna allemaal mannen, in een goede mix van jong en oud en ze kwamen ook bijna allemaal uit de regio waar de school werd gevestigd. En voor de lagere klassen waren overal onderwijzeressen gevonden, vaak gehuwde herintreedsters.
In een paar gevallen zou een onderwijzer van elders moeten worden geplaatst; daar had de Commissie zich dan gebogen over het verhuisprobleem en de daarvoor noodzakelijke vergoeding die conform de onderwijswet, de gemeente zou moeten betalen.
Bij die enquête had de Commissie uiteraard samengewerkt met ‘plaatselijke vertegenwoordigers’ en deze werden op het hart gedrukt goed zorg te dragen voor het vervoer en de overblijfmogelijkheden; veel van de kinderen kwamen immers niet alleen uit de directe omgeving van de nieuw te vestigen school. Zoals in Dordrecht, Zeist, Heerlen, Doetinchem, Meppel, Coevorden, Breda, Tilburg en Nieuwer Amstel, plaatsen die de commissie had aangemerkt als centrumgemeente, waar dan veelal kinderen uit de omliggende plaatsen naar toe moesten reizen.
De Commissie informeerde ook de beoogde leerkrachten en gaf inzicht in de wijze waarop de lijst was samengesteld:
Er is rekening gehouden met de woonplaats, men wordt zoveel mogelijk in eigen plaats of anders in een nabij liggende benoemd, zodat het verhuizen zoveel mogelijk wordt voorkomen (maar bij verhuizen vergoedt de gemeente de kosten).
Tweede punt is dat zoveel mogelijk gehuwde (mannelijke) of kostwinnende leerkrachten, en in tweede instantie de niet-kostwinners (meestal gehuwde vrouwen) op de lijst waren geplaatst.
Derde punt is de leeftijdsopbouw, opdat een school niet allemaal leerkrachten uit dezelfde leeftijdsgroep krijgen.
En tot slot worden de ulo-bevoegde leerkrachten zoveel mogelijk op de nieuwe joodse mulo’s voorgedragen.
Maar let wel, het waren slechts voorstellen, het was aan de ‘aangewezen’ gemeente de scholen daadwerkelijk op te richten, een geschikte ruimte te vinden en het personeel te benoemen. De commissie wil de gemeenten daarbij niet erger voor de voeten lopen dan ze met dit plan al deden.
Maar ondanks de goed bedoelingen van Commissie en Secretaris-generaal bleven veel van de gemeenten waar een joodse school zou moeten worden gesticht, talmen; soms wel tot in de eerste maanden van 1942.
Er waren blijkbaar toch problemen bij het benoemen van bevoegde leerkrachten, bij het vinden van schoolgebouwen en bij de bekostiging. Zeker bij die centrumgemeenten, die van mening waren dat de omliggende plaatse waar de leerlingen vandaan kwamen, mee moesten betalen.
Maar, zo is mijn indruk, er was hier en daar ook sprake van besluitloosheid en zelfs regelrechte onwil van de plaatselijke overheid. Het gevolg daarvan was dat verschillende kehillot her en der in het land zelf het initiatief namen en plaatselijke onderwijscommissies vormden. Vooral nadat begin november bekend werd, dat
‘de verantwoordelijkheid voor het niet verwijderen van Joodsche leerlingen van de scholen, welke zij op grond van het op dit stuk verordende niet meer mogen bezoeken, wordt gelegd op de ouders en verzorgers dier kinderen.’
[HNA 21437/0350]
En zo, terwijl Cohen en zijn mede-commissieleden zich daartegen hadden gekeerd, kreeg de Joodsche Raad via de schooldeur van de sjoel, meteen al met het joodse onderwijs te maken.
[Er zijn vrij weinig bronnen die deze stelling onderbouwen, behalve dan dat een digitale rondgang langs de vestigingsadressen - die in de documenten van het N.I.K. te vinden zijn, aantoont dat zeker de helft van de nieuwe schooltjes gevestigd was op het adres van de toenmalige plaatselijke synagoge.]
De gang van zaken in Amersfoort, zoals beschreven door Femke Mooijekind is een goed voorbeeld. Omdat er in die gemeente ruim 45 joodse lager schoolkinderen geregistreerd waren, gingen de Amersfoortse onderwijsambtenaren op zoek naar een geschikte locatie voor een joodse lagere school. Ze lieten hun oog vallen op een paar lokalen in het gebouw van de particuliere Amersfoortse Schoolvereniging, maar het bestuur van die vereniging had bezwaren en ook het Departement meende dat onder één dak met niet-joodse kinderen, niet de juiste oplossing was. Dat speelde in de eerste weken van september, waarna de gemeentelijk bemoeienis in het slop raakte en een commissie uit de lokale joodse gemeenschap - op initiatief van mejuffrouw Henny de Vries [1913-30 sept 1943] zelf tot handelen overging. Er werden lokalen gehuurd in het wijkgebouw van de Hervormde kerk aan het Laurens Costerplein en op 1 november 1941 opende het schooltje haar deuren. De commissie stelde Felix van Spiegel [1903-20 mrt 1943] uit Meppel aan als schoolhoofd en Kaatje Cohen [1908-6 mrt 1944] als juf voor de kleintjes. Pas nadat van Dam Amersfoort daadwerkelijk had aangewezen als vestigingsplaats voor een (regionale) joodse school trok de gemeente het schooltje eind november, naar zich toe; nam de huur van de lokalen over en ook de salarisbetalingen aan de twee leerkrachten. Het schooltje telde toen 43 leerlingen allemaal uit Amersfoort en daar kwamen nog wat kinderen bij uit Soest en andere kleine plaatsen bij. De gemeentelijke bemoeienis beperkte zich gedurende dat eerste schooljaar uitsluitend tot die betalingen, totdat de school in oktober 1942 door de Joodsche Raad werd overgenomen. In het tweede schooljaar zakte het leerlingental gestaag tot onder de twintig, maar het schooltje bleef bestaan tot 1 april ‘43 toen werd het gesloten ’wegens gebrek aan leerlingen’. Ondertussen was schoolhoofd Felix van Spiegel al naar Duitsland afgevoerd.
[met dank aan Femke Mooijekind]
Ook in Hilversum blijkt de gemeentelijke overheid niet van harte mee te werken, gelet op wat Simon Birnbaum namens de plaatselijke joodse gemeenschap op 25 november 1941 aan de burgemeester van Hilversum schrijft:
‘In vrijwel alle gemeenten is het onderwijs voor de leerlingen hervat. In Hilversum is dat nog niet het geval en de indruk wordt gewekt, dat ook per 1 december a.s. de lagere school voor leerlingen van Joodschen bloede niet zal zijn geopend’
Het duurde daarna nog tot halverwege januari 1942 voordat de gemeentelijke afdeling onderwijs een joodse lagere school vestigde in een villa aan de Utrechtseweg (op nr 64). Denkbaar is dat dat talmen te wijten was aan de fanatieke NSB-burgemeester, maar wat de gemeente zeker parten zal hebben gespeeld was de beschikbaarheid van leerkrachten. De registratie had opgeleverd dat er ruim 150 leerplichtige joodse kinderen in het Hilversumse waren en daar had je toch wel vier joodse leerkrachten voor nodig. Uiteindelijk werd Menni Leefsma (1894-31 mrt 1944) uit Zandvoort overgeplaatst naar Hilversum om daar als schoolhoofd, tezamen met A.J. van Someren, juf H. Waterman en mevrouw E van Leersum-van Lier vanaf januari 1942 het nieuwe schoolteam te vormen. Het heeft allemaal echter niet lang mogen duren want de joodse bevolking van Hilversum werd al in juni 1942 gedwongen geëvacueerd naar Amsterdam.
[met dank aan C.M. Abrahamse]

Opvallend is de situatie in den Haag; daar gingen net zoals in Amsterdam (en Rotterdam) al ruim voor 1940 vrij veel joodse leerlingen naar school op slechts een paar scholen, in de Bezemstraat in de oude binnenstad. Die scholen hadden dan ook al een sabbat-regeling (zaterdag vrij - woensdag langer les) en boden binnen het facultatieve godsdienst-onderwijs, ook joodse lessen aan.
Toen de joodse leerkrachten in november 1940 werden geschorst, begon de Haagse afdeling Onderwijs met het verder ‘verjoodsen’ van die scholen. Door een traject van overplaatsingen en tijdelijke benoemingen werden uitsluitend joodse leerkrachten op die twee scholen geplaatst. Tegelijkertijd werden daar nog alleen maar de joodse leerlingen toegelaten. Dat alles gebeurde na overleg met de chef Kabinet van het Departement van Opvoeding, Fockema Andreae. Maar even voortvarend als deze verjoodsing startte werd die abrupt stopgezet, omdat van Dam’s kabinetschef waarschuwde dat de kans bestond dat die scholen onbekostigd zouden kunnen raken, omdat ze niet meer vrij toegankelijk waren.
Toen in september ’41 de scheidingsmaatregel van kracht werd, kon die dus vrij geruisloos worden uitgevoerd, omdat alleen nog maar een handjevol niet-joodse leerlingen van die Bezemstraat-scholen overgeplaatst moesten worden. De Burgemeester van den Haag schrijft het zo aan Secretaris-generaal van Dam van het opvoedingsdepartement:
‘De van de openbare en bijzondere scholen voor gewoon lager onderwijs onderscheidenlijk afkomstige 846 en 113 leerlingen, als mede de 13 van de openbare lagere onderwijs-kopscholen afkomstige leerlingen zullen alle geplaatst kunnen worden in de openbare scholen voor gewoon lager onderwijs A, B en C - Bezemstraat 3 en in de bij mijn besluit van 19 september 1941 weder voor het lager en/of uitgebreid lager onderwijs bestemde voormalige lagere scholen Duinstraat 10 en Waalstraat 32. Ik merk hierbij op, dat reeds 392 dezer leerlingen voor 1 September 1941 geplaatst waren op de uitsluitend voor Joodsche leerlingen bestemde scholen A en B Bezemstraat 3.’
[HNA 21437/0350]
Naast die vier scholen voor joods lager onderwijs, in de Bezemstraat, de Duinstraat en de Waalstraat met in totaal zo’n 1000 leerlingen in het eerste jaar, stichtte de gemeente ook vier scholen voor het joodse vervolgonderwijs : twee ulo-scholen [200 leerlingen], een nijverheidsschool voor meisjes [50 leerlingen] en een lyceum met ruim 200 leerlingen (lees daarover ‘Slotakkoord’ van Wally de Lange)
Begin december 1942 werd ook het joodse onderwijs in den Haag overgedragen aan de Joodsche Raad; die ontkwam er niet aan alle lagere scholen en het vervolgonderwijs samen te brengen in één pand, het grote schoolgebouw aan de Bezemstraat; er waren dan nog 376 lagere school leerlingen, 49 ulo-leerlingen, 65 nijverheids-meisjes en 67 lyceisten. Vijf maanden later, 23 april 1943 zegde het Joodsche schoolbestuur de huur op bij de gemeente, alle leerlingen waren ondertussen verdwenen. Ook de ‘Haagsche Commissie Voor Het Onderwijs Aan Joodsche Kinderen’ die namens de Joodsche raad het onderwijs begeleidde, had inmiddels ook haar werkzaamheden beëindigd.
Net zoals in andere gemeenten waar joods onderwijs van gemeentewege werd georganiseerd, draaide Den Haag op voor de kosten, vanzelfsprekend dat ook daar getracht werd haast te maken met de overdracht aan de Joodsche Raad. Maar toen dat eindelijk gebeurde in december 1942 bleek dat de kosten die de gemeente dat schooljaar (dus vanaf september 1942) al had gemaakt, niet werden gecompenseerd, noch door een rijksbijdrage, noch door een verrekening met de Joodsche Raad.
Het is al eind november 1943 als de chef van het Joodsche Schoolbestuur van de Joodsche Raad aan de burgemeester van den Haag schrijft over de liquidatie van de Raad en dat de Joodsche Raad de claim van de gemeente niet kan betalen.
In de kranten heeft toen al gestaan dat iedereen die nog iets te vorderen heeft van de joden, zich moet wenden tot de commissaris voor niet-commerciële verenigingen en stichtingen. Maar zo blijkt, ook die kan niets meer betalen bij gebrek aan middelen, dus blijven de gemeenten (niet alleen den Haag) met de brokken zitten.
[met dank aan Wally de Lange]
Bij de enquête door de Joodse Onderwijscommissie werd ook vastgesteld dat er nog al wat kinderen in kleine plaatsen onmogelijk naar een verder weg gelegen te stichten joodse school konden reizen. Dat gold bijvoorbeeld voor alle leerplichtige lagereschoolkinderen in Zeeland, waarvan er vijf in Middelburg waren geteld, een in Zierikzee en ook nog eentje in Terneuzen . Niet alleen in het Zeeuwse maar evenzo op de Zuid Hollandse eilanden (13 kinderen), in Wageningen (2), Dieren (1), Harderwijk (5) en tal van kleine dorpen in het Groningse (zo'n 40 kinderen), was het organiseren van onderwijs onmogelijk en de afstanden te groot om naar een joodse school elders te reizen. Zowel het Departement als de Joodse Onderwijscommissie werden overladen met tal van verzoeken een ‘exceptie’ toe te staan, waarop van Dam zich begin december ‘41 weer eens tot Kommissar-general Wimmer wendde en pleitte een uitzonderingen mogelijk te maken voor de leerlingen die op een lange, bij de brief gevoegde lijst, in aantallen en plaatsen worden vermeld.
‘Derhalve acht ik het raadzaam, dat voor Joodsche leerlingen in die plaatsen, welke geen of een slechte spoor- of tramweg-verbinding hebben met steden, waar een Joodsche school bestaat, een uitzondering worden gemaakt.’
Zover is na te gaan is door de bezetter, in geen van deze gevallen zo’n exceptie toegestaan, waarop Van Dam volstond de burgemeesters en de onderwijscommissie te antwoorden dat thuisonderwijs de enige juiste oplossing zou zijn. Niet veel later deed een ambtenaar op het Departement aan van Dam de suggestie dat deze verspreid wonende kinderen beter verzameld zouden kunnen worden in een daartoe op te richten internaat met school. Zelfs in juli, de evacuaties naar Amsterdam waren in volle gang en de transporten naar Duitsland al begonnen, wendde van Dam zich nog eens tot Ministerial Rat dr. Schwartz, de toezichthoudende Duitse ambtenaar op zijn departement. Hij uitte opnieuw zijn zorgen dat zoveel kinderen problemen hebben, door het reisverbod, waardoor de kinderen en de onderwijzers gedupeerd worden en dat het wegvoeren (naar arbeitslager) van Joodse leerkrachten in sommige plaatsen het onderwijs zo goed als onmogelijk maken.
Het ziet er naar uit dat in de meeste (kleinere) plaatsen het joodse onderwijs in een isolement terecht kwam, de gemeente betaalde dan wel de salarissen van de leerkrachten (zo’n 90 exclusief die in den Haag en Rotterdam) maar verder bemoeide niemand van buiten de joodse gemeenschap zich er verder mee. Het was immers al snel duidelijk - gelet op de berichten vanaf maart 1942, dat binnen afzienbare tijd de joodse aanwezigheid in al die gemeenten zou eindigen, door evacuatie naar Amsterdam en daarna naar elders, tot over de landsgrenzen. Al bij aanvang van het tweede schooljaar waren er bij de overdracht aan de Joodsche Raad, van de 41 scholen buiten Amsterdam (en excl. den Haag en Rotterdam) die begin dat jaar door het Nederlands Israëlisch Kerkgenootschap waren geteld, al meer dan twintig gesloten; een paar maanden later, voorjaar 1943 is het helemaal afgelopen.
Met die evacuaties naar Amsterdam begon het al vroeg; halverwege januari 1942 werden de joodse Zaandammers gedwongen naar Amsterdam te verhuizen. De wethouder voor onderwijszaken constateerde daarop ‘dat de joden te Zaandam de gemeente moeten verlaten, in verband waarmede het overbodig is de school voor joodse leerlingen langer te laten voortbestaan’. Het kleine schooltje aan de Czaar Peterstraat, dat in oktober 1941 was gestart, met meester van Praag en juffrouw Nieweg en zo’n 26 kinderen, werd daarom op 16 februari 1941 alweer gesloten, krap vier maanden nadat het was gestart.
Binnen een paar maanden daarna sloten ook de de scholen in Alkmaar, Zandvoort, Amstelveen, Hilversum, Bussum en Laren
als gevolg van de evacuaties naar Amsterdam van de joden uit alle steden en dorpen in Noord Holland. Dat trof een paar duizend gezinnen met ruim 500 lagere school leerlingen, die zich vervolgens allemaal invoegden op een van de Joodse scholen in Amsterdam.

notitie NAAR AMSTERDAM

NAAR AMSTERDAM
In het kader van de Isolatie-Concentratie-Deportatie maatregelen van de bezetter, werden in de eerste helft van 1942, dus ruim vóór dat de regelrechte deportaties starten, alle joodse ingezetenen in de Noord Hollandse dorpen naar Amsterdam gestuurd.
Een paar dagen voor de fatale dag kreeg men een gestencilde brief van de Joodsche Raad met de aankondiging en de instructies, en op de dag zelf kwam de politie langs om op het vertrek naar trein of autobus toe te zien en de huissleutels over te nemen.
Binnen een paar maanden was zo goed als heel Noord-Holland judenfrei - inclusief het Gooi, maar exclusief Haarlem.
Het begon in Zaandam op 17 januari, bijna alle joodse Zaandammer moest met de trein naar Amsterdam en zich daar vestigen.
De bezetter had het voornemen de drie joodse wijken van de hoofdstad, tot concentratiegebieden en gettos te ontwikkelen. Alleen daar mochten de evacués zich vestigen, in de oude Jodenbuurt, de Transvaalbuurt en de Rivierenbuurt.
Maar toen eenmaal vanaf half juli 1942 de deportaties naar de kampen op gang kwamen, werd de rest van de joden in de provincies regelrecht via Westerbork naar het Oosten getransporteerd.
Na Zaandam troffen de evacuaties de joodse inwoners van Alkmaar (5 mrt), Zandvoort (13 mrt), maar ook Middelburg, Vlissingen e.o. (24 mrt), Beverwijk, Bloemendaal, Aerdenhout, Overveen (25-30 mrt) en ook Koog a/d Zaan en Oostzaan. Daarna Wieringermeer, Medemblik, St-Maarten, Andijk, Bovenkarspel, Hoogkarspel, Hoogwoud en Muiden (17 april); Hoorn, Enkhuizen, Schagen (20 april) en Assendelft, Bergen, Heiloo, Egmond, Schoorl, Wormer, Wormerveer, Zaandijk, den Helder (22 april), Aalsmeer, Edam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Uithoorn, Beemster (24 april) en Blaricum (27 april) en Weesp en Diemen (29 april).
De joden die nog waren achtergebleven in Noord-Holland, zoals in Heerhugowaard, Obdam, Schermerhorn, Uitgeest, Ursem, Graft, Monnikkendam, Nieuwe Niedorp en Schermer, werden tenslotte op 1 mei geëvacueerd.
In eerste instantie leek het alleen de Hollandse kuststreek te betreffen, maar in juni werd ook het Gooi ontruimd met Laren (11 en 12 juni), Hilversum (15-19 juni) en Bussum (23 en 24 juni); en met Delfzijl (11 maart) werd ook de oostgrens jodenvrij gemaakt.
Het was ook hier dat de Joodsche Raad de procedure daadwerkelijk begeleidde, instructies gaf over het overhandigen van de huissleutels bij vertrek, over het meenemen van beddengoed, de inventarisatie van dat wat achterbleef en over het vestigen in Amsterdam.
Wij brengen in herinnering, dat vestiging van joden in Amsterdam slechts toegestaan is in een der drie Joodsche wijken. Op ons bureau Nieuwe Kerkstraat 58, kamer 204 zullen we U gaarne nadere inlichtingen verstrekken over de begrenzingen van deze wijken en u desgewenst behulpzaam zijn met het zoeken van woonruimte. De Duitsche autoriteiten hebben medegedeeld, dat U zich niet in afzonderlijke woningen moogt vestigen, doch dat U bij andere Joden dient te gaan inwonen.
Mocht u familie hebben, die buiten de drie Joodsche wijken woonachtig is, dan kunt U dit voor zoover U ons dit nog niet hebt opgegeven, mededelen aan onze plaatselijke vertegenwoordiger. Wij zullen dan trachten toestemming te krijgen voor Uw onderbrenging bij deze familie, ook al woont deze niet in een der drie Joodsche wijken.
Daar waar onderbrenging bij familie en verwanten niet lukte, werden de gezinnen opgevangen in een schoolgebouw aan het Waterlooplein. Het waren vooral de grote gezinnen, met soms wel zeven kinderen, die moeilijk onderdak vonden bij een ander joods gezin.
Uiteindelijk greep de gemeente in met een verordening tot (verplichte) inkwartiering, uiteraard alleen bij joodse ingezetenen. En ook daarbij liet de Joodsche Raad zich niet onbetuigd
Inkwartiering is nimmer prettig. Het vereischt een wederzijdsch begrip, wederzijdsch nemen, maar vooral wederzijdsch geven. Wij nemen aan, dat zoowel de kwartiergever als de kwartiernemer met dit voor oogen zullen trachten er het beste van te maken. Het Jodendom heeft in zijn historie vele moeilijke tijden medegemaakt. Een dergelijke tijd is er voor ons weder. Beseft, dat wij dit gemeenschappelijk moeten dragen en dat betere tijden slechts kunnen geboren worden, indien de slechtere met sterkte en waardigheid worden gedragen
BRONNEN
Onder NIOD 182-060 zitten veel convocaties etc van de Joodsche Raad over de evacuaties, waaronder bij doc. 024 een lijstje van geëvacueerde dorpen en steden in NH. en resp. onder 006 en 036 de hierboven geciteerde convocaties.
En in de vergaderverslagen van de Centrale Commissie van de Joodsche Raad, NIOD 182-038 zijn vanaf doc. 014 de evacuaties regelmatig aan de orde.
A



In het najaar, ten tijde van de overdracht van al die gemeentelijke schooltjes aan het Joodse Schoolbestuur, begonnen de regelmatige razzia’s verschrikkelijke effecten te hebben, ook op de schooltjes die er in de Mediene nog open waren.
Er werd niet meer ‘geëvacueerd’ naar Amsterdam, nu ging het regelrecht naar Westerbork en vandaar per trein via Nieuweschans ‘doorgezonden’ naar Auschwitz.
Het ‘anderdaags’ ontbreken van onderwijzer of onderwijzeres op die meestal een- of twee klassige schooltjes, maakte het onderwijs van de ene op de andere dag onmogelijk.
Veelal verdwenen bij diezelfde razzia ook de leerlingen, waarop de gemeente maar tot sluiting van het schooltje overging.
In december 1942 rapporteerde het onderwijsbureau aan het schoolbestuur dat in zeker twintig kleinere plaatsen, met in totaal een kleine tweehonderd leerlingen het onderwijs was gestaakt omdat er geen leerkrachten meer beschikbaar waren.
De plaatselijke vertegenwoordigers van de Joodsche Raad hebben dan al ‘provisorische maatregelen getroffen’ zodat de leerlingen ‘niet geheel van onderwijs verstoken zijn’ [NIOD 182-273/010 en 011]
Maar dan wordt het april 1943 en ruim een maand voor dat in Amsterdam het onderwijs wordt beëindigd, sluiten de laatste schooltjes in de Mediene. Iedereen is weg constateerde het Joodse Schoolbestuur. De leerkrachten die er nog zijn kregen een gestencilde brief:
‘Nu door de U bekende maatregelen het onderwijs aan de Joodse leerlingen een einde moet nemen, voelt het Bestuur van het Joodse Onderwijs in Nederland zich gedrongen, U zijn erkentelijkheid te betuigen voor de diensten die aan het joodse Onderwijs hebt bewezen. Het is het Bestuur bekend, met hoe grote ijver en volledige overgave U zich aan Uw taak hebt gegeven en hoe gij U nimmer door moeilijke omstandigheden, waaronder gij Uw taak had te vervullen, hebt laten neerslaan. Voor uw volharding en plichtbetrachting heeft het Bestuur grote eerbied. Het spreekt hierbij zijn beste wensen uit voor Uw toekomst.’[NIOD 182-119/093]
In januari 1942 waren er buiten de drie grote steden, nog zo’n tweeduizend schoolgaande lagere schoolleerlingen geteld; begin april '43 zijn dat er minder dan driehonderd plus ruim duizend in de drie kampen, Westerbork, Vught en Barneveld.
En dan is er nog een laatste telling vanwege de bekostiging, begin september 1943; de kinderen in Vught zijn dan al op transport gesteld en het aantal schoolkinderen in Westerbork gedaald tot krap zeshonderd.

westerbork.jpg

‘De kinderen hebben bepaalde vrijheden waardoor het voor deze betrekkelijk goed is. Veel gediplomeerd onderwijspersoneel is doorgezonden; men tracht zich echter te redden met nieuw aangekomen krachten.’
[NIOD 182/038-112 vergaderverslag Centrale Cie JR - 5 maart 1943]

zie ook in het hoofdmenu (nieuw) artikel 4 :
SCHOLEN IN DE MEDIENE
met per plaats of school een eigen verhaal

§ 20. naar het einde
Na de overdracht aan het Joods Schoolbestuur in november 1942 en de daarmee gepaard gaande reorganisatie, bleven er nog 20 lagere scholen over (‘openbare’ en bijzondere) met ruim 3.600 leerlingen en ondanks alles wat er buiten de schooldeuren gebeurde, draaiden de scholen gewoon door.
Maar we gaan even een jaar terug, naar juni 1942, en schetsen het verloop van het tweede schooljaar met een aantal citaten uit brieven en verslagen van de Joodsche Raad en het Joods Schoobestuur.


26 juni 1942
: voorzitter Cohen doet de mededeling dat
‘de Zentralstelle fur Judische Auswanderung hem heeft medegedeeld dat binnenkort wordt overgegaan tot tewerkstelling van Joodsche mannen en vrouwen uit Nederland in werkkampen in Duitsland’.

[Centrale Commissie 38-48]


31 juli 1942
:
‘Als gevolg van de uitzending zijn er uiteraard ook tal van problemen gerezen ten aanzien van het onderwijs. Veel kinderen zullen na de vacantie niet meer op school terugkomen, zoodat er overcompleet personeel zal komen.’

[Centrale Commissie 38-55]



14 augustus 1942 :
‘Voor het contact tusschen huis en school in gevallen van moeilijkheden en conflicten zullen ‘onderzoekende onderwijzers’ nodig zijn’ [het kwam namelijk voor dat ouders werden opgepakt terwijl de kinderen op school zitten]
[Centrale Commissie 38-56]


21 augustus 1942
:
‘Eenige cijfers worden vermeld van aantallen leerlingen, die na de vacantie (zomer 1942) niet meer op school zijn teruggekeerd. De percentages loopen van 7% tot 20% (per school). De indruk is wel, dat voornamelijk de minder goed gesitueerde groep naar Duitsland is vertrokken.‘
[Centrale Commissie 38-59


11 september 1942 :
‘Vermeld wordt , dat voor de onderwijskrachten een aparte legitimatie zal worden afgegeven. Alle verschillende in omloop zijnde legitimaties bij de verschillende onderwijskrachten zullen thans door een uniform legitimatiebewijs worden vervangen.’
[Centrale Commissie 38-65]


15 september 1942 :
‘Het aantal naar Duitsland gevoerde docenten van de verschillende takken van onderwijs is thans reeds zo groot, dat hier en daar reeds moeilijkheden ontstaan. Er kan nl. niet meer in alle opengevallen plaatsen worden voorzien. Ik zou u daarom dringend willen verzoeken, te trachten, voor het onderwijzend personeel bescherming te krijgen.’
[brief vd Velde aan het bureau van de Expositur, die de transportlijsten opstelde 113-370]


[in de map met deze brief, zit ook een handgeschreven ‘lijst van gearresteerden per 15 sept 1942’ waaronder 11 lagere schoolleerkrachten : Samuel Bannet (1891) school 13 - Sara Barents (1899) 2e joodse Montessori - Mietje Druif (1882) joodse blo-school - Keetje Frankfort (1898) school 11 - Sara Liboerkin (1909) school 8 - Erna Loeb-Leefsma (1918) Palacheschool - Julliet Monninkendam-Souget (1907) 2e joodse Montessori - Meijer Polak (1896) gymnastiekonderwijzer - Lea Polk-Frank (1881) school 5 - H. A. Rabbie (nog geen gegevens) - David Spier (1917) joodse blo-school.
[113-370]


Niet veel later regelde de gemeente met de bezetter een systeem van ‘Sperre’: ‘Inhaber dieses Ausweises ist bis auf Weiteres vom Arbeitseinsatz freigestelt’. Dat was een stempel die in het persoonsbewijs werd gezet door de Zentralstelle fur Judische Auswanderung.
[zie § 12 vanaf p 75]
waardoor men (voorlopig) vrijgesteld was van de ‘werkverruimende maatregelen’ in Duitsland.


24 december 1942 :
‘De Heer Van der Velde doet vervolgens mededelingen over zijn bezoek aan Westerbork. Iedereen is daar vol energie. Aan het onderwijs zullen deelnemen: 80 kinderen Weeshuis, 70 Duitse kinderen voor L.O., 370 Nederlandse kinderen voor het L.O. De ouderen volgen dan Nijverheids- en Landbouw-onderwijs, U.L.O. en V.H.M.O.
Overdag wordt aan de jongere kinderen van 8 – 5 uur les gegeven, terwijl des avonds van 7 – plm. 10 uur aan de ouderen les wordt gegeven.
Voor de diverse takken van onderwijs zijn over het algemeen wel de nodige leerkrachten aanwezig. Men is van plan de leerplicht tot en met het 18e jaar in te voeren.
Er is een grote barak beschikbaar gesteld van 72 x 9 M. Hierin wordt behalve bureau en sanitaire ruimten, nog 14 lesklokalen ingericht.'

[bestuur Joods Onderwijs 102-057]


11 februari 1943 :
‘De Heer I. van der Velde deelt mede, dat het weghalen van de kinderen uit de weeshuizen [op 10 februari 1943] grote weerslag heeft gevonden op de scholen. Door de verspreide geruchten werden veel kinderen door de ouders van de lagere scholen gehaald, terwijl enkele Hoofden tot sluiting van de scholen besloten. De Voorzitter deelt (vervolgens) mede, dat de scholen zonder toestemming niet gesloten mogen worden en dat de Hoofden moeten zorgen, dat er geen paniekstemming komt.
De kinderen worden alleen medegegeven als de ouders er om vragen.’

[bestuur Joods Onderwijs 102-076]


12 maart 1943 :
‘Vervolgens wordt vermeld dat het aantal leerlingen dat aan het door de JR georganiseerd onderwijs deelneemt, belangrijk is teruggeloopen. Bedroeg het aantal met ingang van het schooljaar september 1941 13.000, thans is dit teruggeloopen tot ongeveer 6.000.
[cijfers betreffen heel het land]
Voorts is geconstateerd, dat het schoolverzuim op schrikbarende wijze is toegenomen. Getracht wordt dit schoolverzuim te doen verminderen door inschakeling van de Sociaal-Peadagogische Commissie, en de Buitenschoolsche Jeugdzorg, maar er valt mede te rekenen, dat dit niet in belangrijke mate zal veranderen. Voor de schoolkinderen is voorts een ophaaldienst georganiseerd, terwijl tevens de mogelijkheid geboden wordt de koffiemaaltijd op school te nuttigen.’
[Centrale Commissie 38-113]


3 april 1943 :
‘Vermeld wordt, dat door de nieuwste maatregelen in de provincies het onderwijs in 19 plaatsen zal wegvallen, waardoor 26 scholen zullen worden opgeheven. Het betreft hier 273 kinderen.’
[Centrale Commissie 38-120]


8 april 1943 :
‘het onderwijs in de provincies Gelderland en Overijssel, enz. is geliquideerd. Het bestuur was graag in de gelegenheid geweest enkele personen voor een ‘Anweisung’ voor te dragen, daar er in Amsterdam, in het algemeen grote behoefte is aan geroutineerde leerkrachten’
[bestuur Joods Onderwijs 102-109]


14 mei 1943 :
‘De z.g. ongesperde Joden te Amsterdam zullen zich 20 Mei naar een aangewezen plaats moeten begeven, om daarna verder te worden getransporteerd. Spreker [Cohen] uit zijn bittere teleurstelling over dit besluit. Dit is niet minder dan een ramp in de geschiedenis van de Amsterdamse Joodheid. Spreker stelt voor de vergadering een oogenblik te schorsen’
[Centrale Commissie 38-127]


26 mei 1943 :
‘Voorzitter opent de vergadering en doet verslag van de gebeurtenissen van afgeloopen week. Deze week is een van de vreeselijkste geweest in de geschiedenis van de Amsterdamse Joden……… In een dag is een geschiedenis van 300 jaar vernietigd. Wij hebben menschen op de Houtmarkt gadeslagen en daaronder veel van onze goede vrienden herkend.’
[Centrale Commissie 38-132]


11 juni 1943 :
‘Wat Amsterdam betreft, hier zullen nog altijd tusschen de 15.000 en 18.000 Joden zich legaal ophouden. Het is den Duitschen autoriteiten mogelijk gebleken in ongeveer een jaar de Joodsche gemeenschap in Nederland te liquideeren’
[Centrale Commissie 38-134]
[Presser nuanceert dat (p 376) met het vermoeden dat het er nog ruim 45.000 waren, waarvan ongeveer de helft in de onderduik]


In verslag 4 juni 1943 wordt voor het eerst gesproken over Auschwitz ‘naar verluidt is daar een groot terrein van ongeveer 26 x 26 km als verdeelkamp van Joden ingericht zijn.’ en in een van de volgende verslagen duikt plotseling het begrip ‘Polen’ op. [38-133] Maar ‘Oswiczin’ wordt ook al vermeld in een verslagje [22-07-‘42] aan voorzitter Cohen; dat bevindt zich in het ‘General Gouvernement’, het gebied in ‘het oosten van het Rijk’
[bestuur Joodsche Raad 13-051]


17 juni 1943 :
‘Uitbetaling salarissen aan niet meer werkzame leerkrachten. Hierbij dient onderscheid gemaakt te worden tussen de leerkrachten die door bijzondere omstandigheden, zoals door het wegvallen van reisvergunningen en dergelijke, hun functie niet meer kunnen vervullen en leerkrachten, die door deportatie in deze situatie zijn geraakt. Wat de eerste groep betreft hecht het Bestuur zijn goedkeuring aan de regeling het salaris over de lopende en de daarop volgende maand nog uit te betalen. Wat de tweede groep betreft, voor zover deze leerkrachten zich nog in Nederland bevinden, acht het Bestuur het beter hen in de vorm van levensmiddelenpakketten over een langere termijn een uitkering te doen.’
[bestuur Joods Onderwijs 102-135]


13 juli 1943 :
‘Spreker geeft vervolgens een terugblik op de gebeurtenissen van de bekende razziazondag af. Deze dag bracht aan de Joden in Amsterdam de grootste slag toe, die tot nu toe heeft plaats gevonden……… Het grootste gedeelte van deze menschen is reed verder naar Duitschland getransporteerd.’
[Centrale Commissie 38-141]

Al die maanden hadden leerkrachten en leerlingen zich tezamen ingezet er het beste van te maken. Er waren kinderen verdwenen en weer anderen uit de Mediene, in de klassen opgenomen. Ook in de leerkrachtenteams waren gaten gevallen en soms was er een nieuwe onderwijzer of onderwijzeres van buiten Amsterdam bij gekomen. Maar toch, de klassen werden kleiner, werden samengevoegd en sinds de reorganisatie van december 1942 waren er zelfs hele scholen samengevoegd en was men omdat de school overvol was overgestapt op een wisselrooster.
Ondanks dit alles kon de algemene inspecteur voor het joods onderwijs, Abraham Bartels in zijn verslag van 12 januari 1943 met bewondering schrijven:
‘dat de leerkrachten, op een enkele uitzondering na, vol toewijding en met grote ijver hun taak verrichten en zich door de moeilijke omstandigheden, waaronder zij hun werk moeten doen, niet laten neerdrukken. Zij doen met animo en opgewektheid, velen zelfs met enthousiasme, hun plicht en tonen grote belangstelling voor de aan hun zorgen toevertrouwde leerlingen.’
'Tengevolge van de reorganisatie midden in de cursus zijn er klassen ontstaan van heterogene samenstelling, die tot een eenheid moeten groeien; dit wordt evenwel belemmerd door een gemis aan stabiliteit, doordat er enerzijds bijna dagelijks leerlingen uit de klassen verdwijnen en anderzijds doordat er tengevolge van evacuatie uit andere plaatsen en verplaatsing van de bewoners van de ene stadswijk naar de andere, voortdurende nieuwe leerlingen bijkomen' [109-015]
Dan wordt het de laatste week van mei 1943; in één nacht worden in de oude Jodenbuurt, de Plantage en de Weesperbuurt, alle joodse Amsterdammers weggevoerd.
Van de ene op de andere dag is het allemaal voorbij; zo’n beetje iedereen is verdwenen, de meesten opgepakt, een enkeling weggevlucht.
Als schoolhoofd Gerrit van Praag die donderdagochtend gewoontegetrouw de deur van zijn school aan de Oude Schans open zet, verschijnt er niemand, geen leerkracht komt opdagen en evenzo blijft het vrolijke gejoel bij het ingaan van de schooltijd uit.
Het onderwijsbureau op de Tulpstraat is verbijsterd, niet alleen als de verontrustende berichten binnendruppelen, maar evenzo als blijkt dat nogal wat van de 35 personeelsleden verstek laten gaan. Ogenblikkelijk zendt chef Isaac van der Velde alle lagere schoolleerkrachten, per koerier op hun huisadres een circulaire :
'dat het onze bedoeling is a.s. Maandagochtend [31 mei 1943] alle scholen bij wijze van proef weer te openen, met uitzondering van de scholen: Waterlooplein, Oude Schans, Pl. Muidergracht, Palacheschool en B.L.O. Pl. Muidergracht;
Wij verzoeken U dus Uw taak Maandag te hervatten, terwijl wij van de Hoofden der scholen gaarne maandagmiddag tegen half 5 een schriftelijk rapport verwachten bevattende het aantal leerlingen per klasse en de namen van de aanwezige leerkrachten.’
[153-220]
Al snel blijkt dat er nog zo’n 600 lagere schoolkinderen over zijn en ruim 200 in het vervolgonderwijs. Wie er van de leerkrachten nog aanwezig is, blijft onduidelijk; het zijn er zeker te weinig om voldoende klassen te bemannen. Daarom wordt overgegaan tot een nieuwe reorganisatie, na die in december ’42 de tweede dit schooljaar. Alle scholen in de binnenstad waren in die week dicht gebleven, nu worden de gebouwen ook teruggeven aan de eigenaar, de gemeente Amsterdam. Met mr. de Roos, nu directeur onderwijs van de gemeente wordt een sluitingsplan opgesteld.
Naast die binnenstadscholen : Plantage Muidergracht 20; Plantage Muidergracht 26/28; Oude Schans 35; Waterlooplein 24; Stadstimmertuin 1 met Lepelstraat (dat is Joods Lyceum en hbs), zowel als de scholen voor bijzonder onderwijs, zoals de Palacheschool in de Lepelkruisstraat 4; Talmud Tora A, 2e Boerhaavestraat 7; joodse U.L.O., Weteringschans 255.’.
Óók het schoolgebouw aan het Willinkplein wordt teruggeven, de drie Montessoriklassen met hun leerkrachten krijgen onderdak in het schoolgebouw Jekerstraat 84.
De andere joodse scholen in Zuid, blijven in de Jekerstraat op nr 86, die (dus) nog beschikbaar is, evenals het dubbele gebouw in de President Brandstraat en dat in de Kraaipanstraat, waar in het rechtergebouwdeel op nr 60, de Talmud Tora-B open blijft.
Het gebouw in de Joubertstraat waar een joodse kleuterklas zit, is beschikbaar en herbergt alle blo leerlingen, daar het schoolgebouw aan de Plantage Muidergracht gesloten is. Ook Sparrenweg 11 en de Boerhaavestraat (Montessori) zijn nog open en ook de Elteschool in de van Ostadestraat
Alle kleuters worden geconcentreerd in de Jouberstraat en al het lager voorgezet onderwijs (vglo, nijverheid, mulo) ook, terwijl het gebouw van de bijzondere hbs in de Stadstimmertuinen op nr 2 beschikbaar is voor alle hbs en lyceum leerlingen (bijz. en openbaar)
En dan komt zondag 20 juni; de ‘Grossaktion’ brengt in de Transvaalbuurt en in Zuid de echte genadeslag. Nu zijn het vooral de onderwijzers en onderwijzeressen die ongeacht hun ‘sperr’ verdwijnen, oostwaarts of in de onderduik. De verwarring op de scholen en bij het Onderwijsbureau is onbeschrijfelijk; opnieuw gaat er een circulaire uit aan alle leerkrachten met de opdracht
‘Uw werkzaamheden zo spoedig mogelijk, liefst Donderdagmorgen 24 juni om negen uur te hervatten en de kinderen gedurende de schooluren zoveel mogelijk onderwijs te geven, of op andere wijze bezig te houden.’[124-030]
De brief wordt afgesloten met het verzoek donderdagmiddag voor twee uur, door te geven wie er van de leerkrachten en de leerlingen nog aanwezig is.
Uit de opgaven blijkt dat er van de ruim honderd joodse lagere school leerkrachten die begin mei nog voor de klas stonden, er zo’n achttien aanwezig zijn, bovendien zijn er zowel in Zuid als in Oost ook nog leerlingen. Het Onderwijsbureau besluit daarop enkele scholen open te houden, de rest gaat definitief dicht en de gebouwen terug naar de gemeente.
School 13 in de Jan van Eyckstraat en school 6 in de Sparrenweg blijven open, zo ook de confessionele Herman Elteschool in de van Ostadestraat en de Talmud Tora school in de Kraaipanstraat.
Er is ook een bericht van meester Druijf, dat hij thuis in West in de Jan van Galenstraat een klasje heeft met tien kinderen, afkomstig van school 14 in de Cliffordstraat.
Van lesgeven is geen sprake meer, iedereen is in verwarring en aangeslagen, de relatieve veiligheid van het klaslokaal is merkbaar aangetast. Het Onderwijsbureau adviseert in verband met 'de gewijzigde omstandigheden', niet in te zetten op ‘leren’, maar op ‘onderdak’ bieden. Het handjevol leerkrachten krijgt als taak ‘vacantiescholen’ te verzorgen, net als de succesvolle periode in de zomer van 1942. Toen al kwam men snel tot de bevinding dat er eigenlijk alleen aandacht gewonnen kon worden met ‘vacantie-activiteiten’ zoals sport en spel en muziek en ‘epidiascoopvertoningen’
Maar binnen een paar weken verslechtert de situatie verder. Na de razzia van 23/24 juli sluit ook de Herman Elteschool haar deuren en worden er slechts 40 en 15 kinderen geteld op de scholen in de Kraaipanstraat en de van Eyckstraat. Maar, zo menen ze op het Onderwijsbureau in de Tulpstraat, deze geringe aantallen zeggen niets over de verwachten toeloop in augustus als de vakanties voorbij zijn.
'Aanvankelijk scheen het of de taak van de Afd. onderwijs geëindigd was, doch spoedig bleek, dat er toch nog een taak overbleef: 1. organisatie van het onderwijs voor de overgebleven kinderen; 2 afwikkeling van de financiële verhouding met Rijk en Gemeenten.' [97-038]
Dus komt er een plan voor na die zomervakantie met de scholen die halverwege juli nog beschikbaar waren. Voor de ‘openbare’ leerlingen zal er onderwijs worden gegeven in de scholen in de Sparrenweg en in de Jan van Eijckstraat. En voor de ‘bijzondere’ kinderen waarvan er wel 75 worden verwacht blijft de Talmud Tora school aan de Kraaipanstraat open, want zo heeft het schoolbestuur na lang beraad vastgesteld ‘het unificeren van bijzonder en gewoon onderwijs is nog steeds om principiële redenen een probleem.’
In de edities van 30 juli en 6 augustus van het Joodsche Weekblad worden ouders en verzorgers opgeroepen hun kinderen aan te melden voor het onderwijs dat binnenkort zal aanvangen; dat levert echter nauwelijks aanmeldingen op.
Op het Onderwijsbureau denkt men echter dat het aantal werkelijk aanwezige leerlingen veel groter is en dat deze leerlingen wel zullen komen opdagen wanneer de scholen geopend worden.
Ondertussen is het gelukt om drie onderwijsteams samen te stellen uit het kleine aantal leerkrachten dat er nog is.
Emanuel Bloemendal, wordt hoofd van de school in de Sparrenweg, (dat was hij voordien in de Jekerstraat), naast hem worden Esther Goedhart-Mok (van school 8) en Sara Mok-Levisson (van school 1) benoemd. Salomon Vuisje, het hoofd van de Talmud Tora B wordt hoofd van de laatste confessionele school, met Elisabeth Engelander-Polak (afkomstig van de Palacheschool) en Julia Bolle-Polak (van de blo-school) naast hem. En in de Daltonschool aan de Jan van Eyckstraat in Zuid zijn het Leon van Gelder (die daar al voor de klas stond) en Ida Van Delft-Reijs (van school 3) die de zorg voor de leerlingen op zich nemen. Met Jakob Druijf met zijn thuisklasje, tellen we negen leerkrachten; er zijn er ook nog twee voor gymnastiek: mevrouw Duizend-Davidson en meester Werkendam
Terwijl het gewone gemeentelijke lager onderwijs op maandag 16 augustus 1943 weer is begonnen, wordt de aanvangsdatum van de drie joodse scholen een week verschoven, dan blijkt dat het schoolgebouw aan de Sparrenweg niet meer beschikbaar is. De nieuwe school wijkt uit naar het schoolgebouw aan de Joubertstraat, waardoor de opening weer een week vertraagt. Eind augustus is het dan zover, alle drie de scholen draaien; volgens de officiële telling ten dienste van de bezetter, gaat het om zo’n 240 leerlingen op de joodse lagere scholen in Amsterdam, binnen een totaal van 1.117 joodse leerlingen in heel Nederland, waarvan ruim 700 in Westerbork.

laatste_school_280.jpg

schoolgebouw Joubertstraat - Transvaalbuurt
Nauwelijks later sluit de school in de van Eyckstraat weer haar deuren, er zijn bijna geen leerlingen meer en zowel meester van Gelder als Ida van Delft kiezen er alsnog voor in de onderduik te gaan.
De paar leerlingen die er nog zijn, vinden we terug in de leerlingenlijst van de school in de Joubertstraat, het waren er nog zes. Hetzelfde gebeurt met de confessionele school in de Kraaipanstraat. In vrij korte tijd is het leerlingenaantal sterk terug gelopen en ook daar krijgen meester Vuisje en de juffen Elisabeth Engelander en Julia Bolle de kans in onderduik te gaan. De laatste schoolsleutels worden ingeleverd en alleen het gebouw aan de Joubertstraat blijft beschikbaar.
Naast de ongeveer 80 lagere schoolleerlingen verdeeld over drie klassen, biedt het gebouw ook onderdak aan de kleuters, een groepje VGLO-leerlingen en wat nijverheidsleerlingen van de van Detschool en de Davidsschool.
Begin september krijgt schoolhoofd Bloemendal nog toestemming om een vierde leerkracht aan te stellen. De school, argumenteert het onderwijsbestuur, blijft voorlopig nog wel onder de norm van 121 leerlingen, maar omdat er leerlingen zijn samengebracht van tien nogal uiteenlopende scholen, is er reden genoeg om extra zorg te bieden door de klassen klein te houden en de gecombineerde 5e/6e klas te splitsen. De nieuwe leerkracht is Hans Reys, de enige onderwijzer die nog over is van de Joodse school aan de Sparrenweg.
De school groeit verder, half september telt de leerlingenlijst ruim 90 namen, afkomstig van alle denkbare joodse scholen in de stad, die voor de zomer al gesloten waren; er zijn zelfs kinderen bij die teruggekomen zijn uit Westerbork.
Ondanks dat het Onderwijsbureau sinds de zomer, allerlei regels en instructies had laten vallen, krijgen de ouders Kroonenberg op 23 september nog een schriftelijke reprimande omdat hun dochter Reina, weliswaar leerplichtig en thuishorende in de zes klas, de school niet bezoekt : ‘De scholen functioneren momenteel weer regelmatig en worden door alle daartoe in aanmerking komende kinderen bezocht’ [121-035]
Nog geen week later, 29 september 1943 vindt de laatste grote razzia plaats, wederom wordt de Transvaalbuurt zwaar getroffen. Van de laatste school, in de Joubertstraat ontbreekt na die datum enig gegeven; aangenomen mag worden dat Reina, de andere kinderen en ook de vier leerkrachten verdwenen zijn.
Op de leerlingenlijsten van de laatste school, die ik heb teruggevonden [168-20 e.v.] staan 96 leerlingen afkomstig van zo’n 12 verschillende scholen; de eerste inschrijvingen zijn van 16 augustus, dat zijn er ruim 50; de laatste twee op 27 september - twee dagen later vindt de laatste grote razzia plaats.
Uit de transportlijsten, zoals Luijters die in zijn ‘In Memoriam’ publiceert, destilleer ik dat van die 96 leerlingen er 40 de dood vonden in de kampen.

§ 21. hoe het verder ging

hartveldseweg_mei_1945.jpg

Hartveldseweg bij Betondorp – ergens in de berm links sta ik, Aartje bijna zeven jaar
In de avond van de 4e mei 1945, zoemde het rond in de stad, dat de Moffen eindelijk verslagen waren. Het was fris buiten maar toch, nog voor de avond viel stond iedereen op straat;
spertijd negerend werd begonnen aan het feestje dat dagen lang, tot over het weekend zou duren.
Maandag gingen ze allemaal weer aan de slag, ook de opgedoken verzetsstrijders en joden, iedereen probeerde de draad van zijn vooroorlogse leven weer op te pakken. Ook als het even tegen zat, de komende dagen week de glimlach niet van al die Amsterdamse gezichten.
Zo ook was meester Mozes Goubitz opgedoken; hij had zich meteen die week gemeld bij de Afdeling Onderwijs op het Stadhuis. Daar hadden ze de voorbije maanden niet stil gezeten en al in kaart gebracht welke vacatures er in november 1940, op de scholen waren ontstaan en welke daarvan nu weer konden worden vervuld door een ogenblikkelijke herbenoeming van een teruggekeerde onderwijzer of onderwijzeres.
En zo kon het gebeuren dat hij meteen weer voor de klas kwam, bovendien gewoon op zijn oude school, de Corantijnschool in Amsterdam West. Weliswaar waren het ondertussen allemaal andere leerlingen, en die paar joodse kinderen, die waren er niet meer.
Naast meester Goubitz waren er nog aardig wat andere joodse lagere school leerkrachten weer opgedoken en bijna ogenblikkelijk herbenoemd.
Zo'n 42 van de 83 joodse onderwijzers en onderwijzeressen in het Amsterdamse gewoon openbaar lager onderwijs, die voor de bezetting voor de klas stonden en in maart 1941 waren ontslagen [zie § 9], hadden weten onder te duiken en keerden in 1945 weer terug in het onderwijs, in Amsterdam of elders.
De terugkeerregeling gold ook voor andere Amsterdamse leerkrachten die eveneens, weliswaar in mindere mate de dupe waren geworden van de maatregelen van de Duitse bezetter. Dat gold dan voor verzetsstrijders en illegale werkers, maar ook voor die ene schooljuf die een Davidsster had gedragen in de meidagen van 1942 en ontslagen was en voor die paar leerkrachten die waren weggepest van een school waar een NSB-er de leiding had. Ook zij konden allemaal terug op in oude school.
De regeling was nogal selectief, gold niet voor die onderwijzeressen die in die jaren gehuwd waren (en geen kostwinner waren) en evenmin voor de leerkrachten die voor het eerst waren benoemd in 1942, aan de scholen toen die onder het beheer van de Joodsche Raad vielen. Die waren eind mei 1943 door de Joodsche Raad ontslagen, zonder uitkering of wachtgeld en vielen buiten de gemeentelijke regeling.
In principe werden al die teruggekeerde leerkrachten met ingang van maandag 7 mei 1945 in hun benoeming herstelt; niet allemaal hadden meteen ook een plek op een school; voor sommigen duurde dat nog tot begin augustus voor ze weer voor de klas kwamen.

II
Ook meester Jakob Druijf die nog in 1943 een aantal kinderen bij hem thuis les had gegeven, kon in de derde week van mei weer aan de slag, op de Cabralschool, zo’n beetje om de hoek van de Jan Mayenschool waar hij voor 1940 had lesgegeven.
Jakob maakte zich zorgen over de joodse kinderen die ook weer opgedoken waren, zoals zijn eigen Bob en Ina, ondertussen 14 en 11 jaar. Vanaf de sluiting van de joodse scholen, eind mei 1943 hadden al die kinderen, het waren er wellicht een paar honderd geen deugdelijk onderwijs meer gehad. Als onderwijzer en als vader begreep hij dat die kinderen niet zo maar weer konden instromen in een willekeurige klas, op een willekeurige school. Hij schreef de nieuwe wethouder een brief:
‘Aan den Heer Mr. A. de Roos
Wethouder voor het Onderwijs
Als oud-hoofd ener lagere school voor Joodse kinderen, komen de laatste tijd herhaaldelijk ouders van vroegere leerlingen dezer school bij mij vragen of hun kinderen, die meestal de laatste jaren geen onderwijs genoten hebben, weer naar school kunnen gaan. Als gevolg dezer bezoeken, verzoek ik U te willen overleggen of voor deze misdeelde kinderen niet wat gedaan kan worden om de geleden schade op onderwijsgebied te kunnen herstellen. Indien U van mijn diensten daarbij gebruik zoudt willen maken, ben ik daartoe gaarne bereid.’
[SAA 5191-14601 – 14 juni 1945]
[Die Albert de Roos kennen we met name als de hoofdambtenaar op de gemeentelijke afdeling
onderwijs, die duidelijk belast was met de organisatie van de joodse scholen en in die functie in 1943 contact onderhield met het schoolbestuur van de Joodsche Raad. Meteen in de meidagen was hij door de nieuw benoemde (waarnemend) burgemeester Feike de Boer aangezocht de onderwijsportefeuille binnen het college van B&W op zich te nemen.]
Het is niet duidelijk of het briefje van Jakob Druijf de aanleiding is geweest of dat men op het Stadhuis ook al het voornemen had om ‘iets te doen’ voor de terugkomende joodse leerlingen. Duidelijk is wel dat er al snel na de bevrijding tot actie is overgegaan en zoals te doen gebruikelijk bij elke oprichting van een nieuwe school, was er gedoe over de locatie zowel als met het vinden van het juiste Hoofd der School. Maar al juni nemen B&W het oprichtingsbesluit, dat de nieuwe Burgemeester in de 1e raadsvergadering van 1945, op 21 november toelicht:
‘Ik zal niet te zeer in bijzonderheden treden, slechts een en ander even aanstippen. In de eerste plaats de uitsluiting der Joodsche leerlingen met ingang van 1 September 1941. Voorheen werden 24 openbare Joodsche scholen opgericht met 5961 leerlingen, welke scholen een jaar later werden overgedragen aan den Joodschen Raad, waardoor zij het karakter van bijzondere scholen kregen en aan de bemoeienissen van de gemeente onttrokken werden. Tengevolge van de wegvoering van de Joden werd het aantal dezer scholen hoe lager hoe kleiner, totdat op 29 September 1943 de laatste verdween.
Wegens het gevaar voor razzia’s was het schoolverzuim in de laatste jaren op de middelbare scholen groot, doch ook op de lagere scholen was dit het geval, al was de oorzaak hier een andere. De moeilijkheden bij het verkrijgen van levensmiddelen, het vaak ontbreken van vaderlijke leiding, deden reeds in de eerste oorlogsjaren het schoolverzuim onrustbarend toenemen. Gelukkig is dit na de bevrijding sterk verminderd en ook in den nieuwe cursus valt, afgezien van moeilijkheden als gevolg van schoeisel schaarschte, geen abnormaal verzuim meer te constateren.
Parallel met de toeneming van het schoolverzuim liep de vermeerdering van de jeugdcriminaliteit. De al van het begin der bezetting dateerende wisselschooltijden-regeling voor vele scholen en de veelvuldige sluiting van de scholen wegens brandstoffengebrek of wegens ziekte van het onderwijzend personeel, werkten het op straat zwerven der kinderen in de hand.’

[SAA - Gemeenteblad 1945 - tweede afdeeling - – pag 12 ev]
[In het weekrapport van de Joodsche Raad van 12 maart 1943 (zie § 20) wordt gesignaleerd dat het schoolverzuim schrikbarend is toegenomen en de Sociaal-Peadagogisch Commissie (olv mr. Reine Friedmann-vd Heide) ingeschakeld zal worden. Maar dat was in de laatste maanden voor het einde; denkbaar is dat de Burgemeester doelt op eerdere tijden – ik kan dat niet staven of ontkrachten.
Die Commissie voor Sociaal-Pedagogische Zorg was gelijk met de overdacht van de scholen, in najaar 1942 actief geworden. Er zijn weekrapporten aanwezig onder NIOD 182/136 - maar uit die verslagen krijg ik niet de indruk dat het ernstig was met die ‘jeugdcriminaliteit’ en het ‘op straat zwerven’ zoals de Burgemeester stelt.
Er waren natuurlijk allerlei kwesties, al was het maar omdat veel vaders waren afgevoerd en ook omdat er nogal wat kledingproblemen waren. Oktober 1942 noteerde de commissie zo’n 70 gezinnen waar hulp werd geboden, vooral in de wijken van de ‘economisch minder gesitueerden’, waar de kinderen op klompen naar school kwamen en die niet in de klas mochten aanhouden].

Nog vlak voor de grote vakantie, op 30 juli 1946 werd de Dr. E. Boekmanschool gesticht, genoemd naar de laatste voor-oorlogse wethouder van Onderwijs, die in de meidagen 1940 zich van het leven benam. De school werd gevestigd in het gebouw aan de Plantage Muidergracht nr 20, waar vanaf september 1941 de Joodsche school nr 4 had gezeten.
Zo staat het in besluit 130, van 27 juli 1945 van het Amsterdamse college van B&W:
‘Als gevolg van de oorlogsomstandigheden heeft een aantal ‘’ondergedoken”, thans weder “opgedoken”. Joodsche kinderen van den leerplichtigen leeftijd gedurende korteren of langeren tijd geen onderwijs genoten. Voor deze kinderen zal thans van gemeentewege in de behoefte aan onderwijs moeten worden voorzien door de oprichting van een school voor gewoon lager onderwijs. [….] Het onderwijs zal er op gericht zijn, de leerlingen zoover te brengen, dat zij het onderwijs aan een gewone lagere school kunnen volgen. Wanneer de school aan haar bestemming zal hebben beantwoord en de leerlingen in andere scholen zullen zijn opgenomen, zal zij kunnen dienen om een beter verdeeling te verkrijgen van de leerlingen die thans de Oudeschansschool, de Frederikschool en de Boerhaaveschool bezoeken.’ [SAA -Gemeenteblad Amsterdam - 1945 - pagina 139/140]
Meteen na de zomervakantie van 1945, op 15 augustus startte de school. Aan belangstelling was geen gebrek; er waren meteen al 168 leerlingen en vijf leerkrachten met zorg uitgezocht en aangesteld: Ida van Delft-Reijs van de Joodse school 3 op het Waterlooplein; Henriette de Hartogh, die voorheen op de Molukkenschool had gestaan; Eliazer van Praag van school 12, in de Rivierenbuurt en Esther van Collum-Snapper, die tot juni 1943 op die joodse school in de Plantage had gewerkt. Als hoofd der school werd Felix Israël benoemd; hij was tot in de meidagen van ’43 hoofd geweest op de niet-openbare Uloschool van de voormalige Joodse onderwijs-vereniging Kennis en Godsvrucht.
Meester Israël stond bepaald niet bekend als pleitbezorger voor openbaar onderwijs; waarom wethouder de Roos hem tot hoofd had benoemd blijft dus een raadsel. En in het leerplan dat speciaal voor deze school was opgesteld, was naast de gebruikelijke leervakken, ook ruimte voor een paar uur Joodse Cultureel Onderwijs. Dat was dan wel facultatief, net als het godsdienstonderwijs op de gewone openbare lagere school, dat was doorgaans protestants, maar het was een unicum joods godsdienstig onderwijs op een openbare school.
Er is alle aanleiding aan te nemen dat het goed ging met de ‘opgedoken’ leerlingen en dat de school aan de bedoelingen voldeed. Het leerlingenverloop viel alleszins mee, tegen het eind van het eerste schooljaar waren het er nog zo’n 155 .
Maar toen gebeurde iets dat wethouder de Roos niet had voorzien; die joodse school beviel de meeste ouders zo goed dat het plan werd ontwikkeld voor het behoud van de school en dan als een joodse bijzondere school, die buiten de directe overheidsbemoeienis zich zou kunnen vestigen als een kleine joodse enclave in deze voor de joodse gemeenschap zo droevige tijd. Niet zo zeer met een joods-godsdienstige signatuur maar eerder joods-nationalistisch, zoals de Rijksschoolopziener voor het lager onderwijs Bouchette, opmerkte in zijn negatieve advies van 18 september 1946.
Hij sneert ook nog naar het schoolhoofd, dat die de leerlingenkaarten van de Boekmanschool zou hebben ingepikt om leerlingen voor zijn nieuwe school te werven, zodat het er inmiddels genoeg zouden zijn om te voldoen aan de stichtingsnorm.
Volgens schoolopziener Bouchette zouden er zeker wel duizend joodse leerplichtige kinderen zijn in Amsterdam, en zou er sprake zijn van een sterke assimilatie- en emigratiedrang onder de naoorlogse joodse bevolking (volgens hem telde de Joodse kerkgemeenschap toen zo’n 2000 leden waarvan de helft praktiserend; terwijl de hele joodse gemeenschap in 1945 geschat werd op 20.000) Bovendien zouden al die joodse weeskinderen waarschijnlijk worden opgenomen in gezinnen elders in het land. Allemaal redenen om juist niet zo'n joodse school op te richten, waarop hij zijn negatief advies afrondt met :
‘De alleszins gerechtvaardigde deernis met het zware lot, dat het Amsterdamsche Joodsche volksdeel door de Duitsche terreur heeft getroffen kan echter m.i. geen aanleiding zijn om de overgebleven kleine Joodsche gemeenschap in deze te bevoorrechten boven andere kleine volksgroepen.’ [SAA 5191-14601– brief 18 sept 1946]
Gemeente noch het Rijk gaan mee in zijn afwijzend advies en zo kon het gebeuren dat bij de aanvang van het schooljaar 1946/47 een Joods-bijzondere school geopend werd, meteen al met zo’n 150 leerlingen. Ze krijgen van de Gemeente ‘onverkorte erkenning van het recht, dat het Joodsche bevolkingsdeel had, indien zij van het recht tot stichting van een bijzondere school over wensen te gaan’ en het schoolgebouw in de van Ostadestraat 103 toegewezen.
Rosj Pina, zoals de school later gaat heten, borduurde verder op de onderwijstradities van de vier joods-bijzondere scholen die in 1943 hun deuren moesten sluiten.
wervingsadvertentie van de Rosj Pina school in 1948

Rosj_Pina_1948.JPG

De openbare lagere Boekmanschool in de Plantagebuurt, veranderde vanaf dat schooljaar van ‘de school voor de joodse opgedoken kinderen’ in een gewone buurtschool, die na een aanvankelijke daling naar slechts 15 leerlingen, naar normale proporties groeide. Schoolhoofd Israël was uiteraard meegegaan met die nieuwe Joodse school; op de Boekmanschool werd hij vervangen door mevrouw Froukje Boom-de Vries, afkomstig van de Watergraafsmeerschool in Betondorp.
De Boekmanschool bestaat nog, nu in een nieuwer gebouw in de Korte Lepelstraat, in de Weesperbuurt, maar de geschiedenis van haar ontstaan is vast vergeten, vrees ik.

notitie OORLOG, BEZETTING EN BESTUUR (2)

Vervolg op de eerste notitie, zie onderaan de inleiding
Vanaf D-day, 6 juni 1944 bereidde men, zowel in Londen als in het ondergrondse Nederland zich voor op de bestuurlijke situatie vanaf de dag dat de bezetter verslagen zou zijn. De geallieerden waren in Normandië geland, de opmars door Europa was ingezet en de bevrijding van Nederland leek nabij. Minister-president Gerbrandy benoemde daarop in Nederland een College van Vertrouwensmannen dat als interim-bestuur kon dienen totdat het wettig gezag zou zijn teruggekeerd vanuit haar ballingschap.
Aan beide zijde van de Noordzee werd begonnen met het voorbereiden van besluiten en bestuurlijke benoemingen die nodig zouden zijn vanaf het moment dat de Duitsers in Nederland het veld zouden ruimen. De communicatie tussen de regering en het vertrouwenscollege verliep echter niet al te best, waardoor nogal wat benoemingen van burgemeesters en provinciebestuurders niet echt gladjes verliepen.
Er was inmiddels een maatregel uitgevaardigd dat iedereen die tot 10 mei 1940 in functie was, direct na de bevrijding zou worden herbenoemd in de oorspronkelijke functie, behalve dan als zo iemand niet meer van smetten vrij was. Onder andere daarover verschilde men in Londen met de vertrouwensmannen, die al die jaren dicht bij het vuur hadden gezeten en soms een wat minder genuanceerd oordeel hadden.
Een van de benoemingen die gedaan moest worden was die van de burgemeester van Amsterdam, het was immers vanzelfsprekend dat NSB-burgemeester Voûte, ogenblikkelijk zou worden afgezet. Een bestuurlijk vacuüm was ongewenst en de terugkeer van burgemeester de Vlugt, die in maart 1941 door de Rijks-commissaris terzijde was geschoven, leek het vertrouwenscollege niet gewenst. Dus ging men op zoek naar een waardige opvolger en kwam uit bij de baas van de Spoorwegen, Goudriaan. Die weigerde de opdracht, zo ook ging het met de politicus Willem Drees, die koos voor de opbouw van de SDAP en de landelijke politiek.
Zo kwam het College van vertrouwensmannen uit bij de directeur van een van Nederlands grootste scheepvaartbedrijven, Ir. Feike de Boer. Hij aanvaarde de functie uitsluitend als waarnemer voor zon klein jaar en wilde dat burgemeester de Vlugt toch even, al was het maar voor een week, als gebaar terug zou keren in zijn functie. Helaas wierp het overlijden van de Vlugt in februari 1945 een schaduw over deze nobele geste.
Feike de Boer werd al in het najaar van 1944 door de Koningin benoemd, de trage opmars van de geallieerden gaf hem ruime gelegenheid het herstel van het bestuur over de hoofdstad voor te bereiden en een wethouders-ploeg te verzamelen. In normale tijden waren wethouders leden van de gekozen gemeenteraad; vandaar dat de wethouders die in maart 1941 afgezet waren door de Boer werden aangezocht.
De meeste van hen hadden echter ondertussen wat anders te doen of waren niet helemaal vrij van smetten. Zo kwam er een nieuwe ploeg, twee daarvan kwamen uit het oude college, de andere zes werden door de Boer tijdelijk benoemd, waaronder voor het eerst een communist, Leen Seegers. Een van de andere nieuwe tijdelijke wethouders was de sociaaldemocraat Albert de Roos, die ondertussen opgeklommen was tot hoogste ambtenaar op de Gemeentelijke afdeling Onderwijs; hij werd daarom belast met de Onderwijszaken in het nieuwe college van B&W.
Eind april 1945 werd een speciale editie van de Staatscourant voorbereid met een lange lijst ven besluiten en benoemingen zoals die door de regering in Londen waren gedaan, gerekend vanaf het moment dat de bezetter zich gewonnen zou geven. Dat moment kwam enkele dagen later, vrijdag 4 mei savonds was de capitulatie van de Wehrmacht een feit en zaterdag 5 mei was ook het westen van Nederland bevrijd. De Staatscourant verscheen, zeer ongebruikelijk op zondag, toen was het de 6e mei, zodat burgemeester de Boer en zijn wethouders op maandag 7 mei aan de slag konden en daags daarop de bevrijders konden verwelkomen op de Dam.
De eerste naoorlogse gemeenteraad werd pas op 21 november 1945 geïnstalleerd, bestaande uit 41 leden, waaronder Albert de Roos, die vervolgens unaniem tot wethouder werd verkozen.
Die raad was echter een noodoplossing: door de burgemeester benoemd en niet democratisch gekozen, dat gebeurde een jaar later, in juli 1946. Albert de Roos bleef wethouder Onderwijs, Kunstzaken en Sport tot in 1962; hij was gedurende die jaren, de eerste man voor de Partij van de Arbeid in de Amsterdamse gemeenteraad. Waarnemend burgemeester de Boer, werd in 1946 opgevolgd door de eerste naoorlogse burgemeester Arnold Jan d'Ailly.
Ook op het Departement van Onderwijs, dat in 1943 van den Haag naar Apeldoorn was uitgeweken ging ogenblikkelijk een frisse wind waaien. Hier was de omwenteling naar normale tijden voorbereid door het College van Vertrouwensmannen in overleg met de toenmalige minister Bolkenstein die ondertussen in het bevrijde zuiden was aangeland.
Secretaris-generaal professor Jan van Dam die al vanaf april 44 niet meer op zijn bureau was verschenen, werd meteen toen Apeldoorn op 17 april was bevrijd, geschorst en vervolgens toen ook het westen vrij was, op maandag 7 mei uit zijn functie gezet en een weekje later gearresteerd wegens collaboratie.
In den Haag werd op het Departement ogenblikkelijk Secretaris-generaal Gerrit van Poelje in zijn functie hersteld. Van Poelje bleef maar kort SG, werd al in augustus dat jaar benoemd in de Raad van State; de nieuwe SG is dan Hendrik Reinink, die ook in 1940 eventjes van Poelje was opgevolgd.
[o.a. de Jong, deel 10b, hfdstk 12 en 17; de Pater, het Schoolverzet, Nijhoff 1969, hfdstk VIII ]

III
Een ander aspect dat na mei 1945 opdook, was de financiële afwikkeling van het joodse onderwijs. Tot in de laatste dagen - eind september 1943, zat het Joodse Onderwijs bureau in de maag met betalingsverzoeken van de ruim 35 gemeenten waar een joodse school was gesticht. Uiteraard spande Amsterdam daarbij de kroon met een claim van zo’n 50 duizend. (zie § 17.III). De hoogste nog aanwezige medewerker op het Onderwijsbureau in de Tulpstraat, mr. A.G. Lissauer, opent zijn laatste rapport met :
De gebeurtenissen in Juni brachten een nog zwaardere slag toe, omdat een groot deel van het bureaupersoneel in Zuid woonde Aanvankelijk leek het of de taak van de Afd. Onderwijs geëindigd was, doch spoedig bleek dat er toch nog een taak overbleef:
1. organisatie van het onderwijs voor de overgebleven kinderen;
2. afwikkeling van de financiële verhouding met Rijk en Gemeenten.
Te dien einde werd het bureau weer in werking gesteld.
Die financiële afwikkeling betrof feitelijk een bedrag van ruim 180-duizend gulden en gold alléén de eerste drie maanden van dat tweede schooljaar, en dat was best wel veel geld in die dagen.
Maar laten we even het geheugen opfrissen: In het eerste jaar van het joodse onderwijs, dus van september 1941 tot september 1942 warende financiële verhoudingen helder: de gemeente bekostigde óók het joodse onderwijs, weliswaar met afzonderlijke door de gemeenteraad verleende kredieten, vervolgens voor 100% gecompenseerd door het Departement van Financiën, conform de bestaande onderwijswetgeving. Vergelijkbaar daarmee konden de scholen voor bijzonder onderwijs (de vier joodse religieuze lagere scholen, de joodse ULO en de joodse HBS) ook al hun kosten vergoed krijgen.
Bij aanvang van het tweede schooljaar, dwz vanaf sept 1942 zetten de gemeenten die bekostiging gewoon door, in de vorm van salarissen, exploitatiekosten en onderwijs-materialen. Bekend was ondertussen dat de Joodsche Raad de scholen zou overnemen en ook voor de bekostiging zorg zou dragen. Het zag er echter voorlopig niet naar uit dat de bezetter deze maatregel liet doorvoeren en het onderwijs moest natuurlijk toch gewoon doorgaan; dat was immers de maatschappelijke taak van de gemeenten, verankert in de grondwet, joodse kinderen of niet.
Pas halverwege november waren de bezetter en de Haagse departementen er uit (zie § 14) en kon het joodse onderwijs in het gehele land worden overgedragen aan een daarvoor gevormd Joods Schoolbestuur. Dat gebeurde feitelijk op 8 december 1942, maar de bezetter vaardigde uit dat de officiële overdracht had plaatsgevonden miv het nieuwe schooljaar, dwz per 1 september 1942. Dat impliceerde uiteraard dat het nieuwe Joodse Schoolbestuur dus vanaf die 1e september 1942 ook financieel verantwoordelijk was voor het gehele joodse onderwijs (de gemeentelijke- en de bijzondere scholen). Nauwelijks was de maatregel door het Departement bekend gemaakt aan de gemeentebesturen of die starten allemaal de procedure om de gemaakte kosten over die eerste maanden terug betaald te krijgen van de Joodsche Raad. Natuurlijk vingen ze bot, de rekeningen die werden ingediend waren meestal veel hoger dan het jaar-subsidie dat het Onderwijsbestuur per gemeente toegedeeld kreeg, op basis van het aantal aanwezige joodse leerlingen.
Pas na de zomer van 1943, het joodse onderwijs was overal al lang geëindigd en de laatste school in Amsterdam liep op haar laatste benen, kwamen de drie partijen er eindelijk uit; de Joodsche Raad, het departement van Sg van Dam en de gemeentebesturen hadden een akkoord - de brief van 19 augustus 1943 droeg de handtekening van Isaac van der Velde als hoofd van het joodse onderwijs én de paraaf van Secretaris-generaal van Dam:
‘De Joodse Raad is verplicht aan de gemeenten te restitueren de door de gemeenten ten behoeve van het onderwijs aan Joodse leerlingen gedane uitgaven, voor zover deze betrekking hebben op enig tijdvak na 31 Augustus 1942, doch met een maximum van het bedrag, dat de Joodse Raad over het desbetreffende tijdvak als subsidie genoot voor de Joodse kinderen uit de betrokken gemeente.’ [Groninger Archieven 1841-0648]
Natuurlijk volgden er daarna, heen en weer berekeningen, eind oktober ‘43 zijn ze er dan uit wie wat moest betalen cq. terugbetalen. Maar toen het er werkelijk op aankwam liet de chef van het joodse onderwijsbureau eind november 1943 de gemeentebesturen weten dat hem én de stukken én het personeel ontbraken; niet veel later werd de Joodsche Raad geliquideerd. Als dan de aanmaningen van de gemeentebesturen aan het adres van de Joodsche Raad als onbestelbaar retour komen, wendt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten zich tot Secretaris-generaal van Dam, waarop die laat weten dat deze onderwijskosten om ‘practische redenen’ niet verhaald kunnen worden op de Joodsche Raad.
In 1945 nemen de betrokken gemeentebesturen de draad van de bekostiging van de voormalige joodse scholen weer op. Al snel bleek dat het niet alleen de tekorten over die drie maanden in het tweede schooljaar betrof, maar evenzo die over de volle twaalf maanden van het eerste ‘geïsoleerde’ schooljaar; het Departement van Financiën had daarvan niets aan de gemeenten, die het hadden voorgeschoten, betaald. Het duurt vervolgens tot laat in het jaar 1947 tot de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten de kwestie weet los te trekken via de Tweede Kamer, bij het Departement. Voor de gemeente Amsterdam gaat het dan ondertussen om een bedrag van ruim 360.000 gulden alleen al over het eerste schooljaar, voor ruim 5.800 leerlingen in alle typen van onderwijs. Of er uiteindelijk is betaald, is mij niet bekend, wel dat de betreffende gemeentebesturen van het Ministerie van O.K. en W. uiteindelijk, in maart 1950, een verklaring ontvingen :
DE MINISTER VAN ONDERWIJS, KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN,
Overwegende, dat het billijk is, aan de gemeentebesturen, die in de bezettingstijd het lager onderwijs aan Joodse kinderen in één of meer daartoe opgerichte scholen hebben bekostigd, de terzake gemaakte kosten, met uitzondering van de kapitaalsuitgaven en na aftrek van de kosten, die onder normale omstandigheden voor de leerlingen van deze scholen door de gemeenten zouden zijn gemaakt, van Rijkswege te restitueren;
HEEFT GOEDGEVONDEN
aan de besturen van de in deze beschikking genoemde gemeenten een bedrag toe te kennen, als achter ieders naam is vermeld.
[Groninger Archief 1841-0648]

IV
In het vroege najaar van 1945 werd door de voorlopige regering van het Koninkrijk, in het kader van het herstel van de democratische verhoudingen een serie Koninklijke Besluiten uitgevaardigd, die reeds in de Londense periode waren voorbereid. Een van die besluiten (E 94, dd 20 november 1945), betrof het rechtsherstel van de ambtenaren in alle overheidsorganen. Iedereen die door de vijand uit overheidsdienst was ontslagen, zou zo spoedig mogelijk weer aangesteld kunnen worden in zijn vroegere of in een daarmee zoveel mogelijk overeenkomende functie. En verder had de betrokkene recht had op nabetaling van salaris alsof hij zijn functie onafgebroken had vervuld en op de promotie die hij normaliter sinds die datum zou hebben gemaakt.
Blijkbaar was de uitwerking van het financiële aspect van dat Koninklijk Besluit niet zo eenvoudig. Met de benoemingen per 7 mei 1945 was de gemeente Amsterdam zeker voortvarend geweest, maar het duurde tot in 1948 voor dat ook de nabetalingen waar het Koninklijk besluit over sprak, waren geregeld. Dat rechtsherstel hield dus in dat ook alle leerkrachten in gemeentedienst, gecompenseerd werden voor de misgelopen inkomsten plus periodieke verhogingen over die periode gerekend vanaf 1 maart 1941 tot 7 mei 1945. Het ging dan om een aanvulling tot 100% van de wedde, dus rekening houdend met het wel ontvangen wachtgeld over die perioden en ook onder aftrek van de toelagen en toeslagen die door de Joodsche Raad aan de leerkrachten waren betaald boven op het wachtgeld, gedurende de maanden dat men vanaf 1 september 1942 voor de klas hadden gestaan. Het was natuurlijk een hele berekening, die de betrokkene op schrift kreeg en die resulteerde in een bedrag ineens op de giro, meestal was dat zo iets als meer dan een hele jaarwedde toentertijd. Ook werd iedereen is zijn pensioenrechten hersteld, dwz de premies over die ontbrekende periode werden door de gemeente gecompenseerd; er was dus geen sprak van een breuk in de pensioenopbouw. Helaas maar logisch, vielen er best wel wat mensen buiten de boot, zoals die leerkrachten met een tijdelijke aanstelling, die al eerder dan die 1 maart 1941 gewoon niet meer opgeroepen waren voor een invalklus en die, die pas in 1942/43 voor het eerst voor de klas kwamen, in een benoeming bij de Joodsche Raad
Ik noem de datum van 7 mei 1945; feitelijk kwam het er op neer dat al die leerkrachten, het waren van de oorspronkelijke 83 [zie § 2 en 9]zo’n 42 die waren teruggekeerd en zich bij op het Stadhuis hadden gemeld, allemaal per 7 mei weer gewoon in dienst waren van de gemeente, de meeste hadden ook meteen een klas op een school waar ze aan de slag konden, anderen moesten nog even wachten; maar ze kregen allemaal weer gewoon betaald, alsof er niets gebeurd was.
Dat was de ene kant van het normaliseren van het gewone leven in de jaren na de bezetting. De andere kant betreft de onderwijskrachten die ‘fout’ waren geweest, dat waren er op de Amsterdamse openbare lagere scholen, zo’n twintig (op een totaal van ruim duizend leerkrachten). Ze waren lid geweest van de NSB en van het Opvoedersgilde, de Nationaal Socialistische Onderwijsbond. Ze werden meteen de eerste schooldag na de bevrijding, maandag 7 mei 1945 uit hun scholen geweerd en nauwelijks later hadden ze allemaal hun ontslagbrief in huis. Er volgden processen, veroordelingen en straffen en ze werden óók allemaal uit hun rechten gezet; pensioenrecht, stemrecht, recht op een uitkering, enz. Ze konden het allemaal vergeten; best wel streng, de meesten van hen hadden nauwelijks een vlieg kwaad gedaan, maar ze verkeerden in uitmuntend gezelschap, ook Secretaris-generaal professor Jan van Dam werd onder de foute Nederlanders geschaard, en daarvoor gestraft. Hij was dan wel geen NSB-er geweest, evenmin lid van het Opvoedersgilde, maar algemeen werd vastgesteld dat hij ruimhartig uitvoering had gegeven aan de maatregelen van de bezetter; collaboratie dus.
Zowel voor Maurits Goubitz als voor mijn eigen vader was het feit dat die NSB’ers ogenblikkelijk op 7 mei uit de scholen werden geweerd, een ware zege; op de Corantijnschool van meester Goubitz en op de Watergraafsmeerschool van meester Janszen, was er zodoende per gelijke datum een klas kinderen, die stond te juichen toen zij in plaats van hun NBS-meester, op school verschenen in die eerste bevrijdingsweek.
NB aanbevolen hier: Het Geheim van de Valeriusstraat van Luuc Kooijmans; zijn vader was zo’n foute onderwijzer, weliswaar in het protestantse lager onderwijs – ook Secretaris-generaal Jan van Dam komt in dit verhaal voor, vanaf p.46 ]

Met deze twee laatste paragrafen heb ik het hele verhaal verteld, over de joodse kinderen, hun onderwijzeressen en onderwijzers en de scholen waarnaar ze allemaal verbannen waren, vanaf september 1941. Omdat, zoals de bezetter had besloten, joden en niet-joden niet samen mochten zijn, niet in parken en zwembaden, op sportvelden, in bioscopen, theaters, bibliotheken, niet in tram of trein, niet in een huwelijk en zeker ook niet op de plekken waar de jeugd wordt gevormd tot verstandige mensen, de scholen.
Alles bij elkaar duurde deze isolatie en concentratie tot de laatste joden met de laatste razzia op 29 september 1943 uit Amsterdam waren gedeporteerd.
Het is nu september 2019, 76 jaar later en mijn verhaal is af.
Ik althans ben er klaar mee, mijn reis door deze geschiedenis is na zo’n vijf jaar ten einde. Was het teveel of nog veel te weinig ?
Laat het me maar weten, alsjeblieft.

aartjanszen – september 2019
60 duizend woorden
op zo’n 220 pagina’s [half A4 staande]

voor_website.jpg

binnenkort is een pdf-versie
van ‘de ontjoodsing’ beschikbaar,
met per paragraaf een bronnen-overzicht.
stuur me maar een mailtje
als u het wilt ontvangen